| Het schaduwcommando van de prins
deel 6
door Jan Portein
Naar eigen zeggen werd Slobodan Mitric, alias Karate Bob, in de tweede helft
van de jaren zeventig toen hij tijdens zijn detentie in Scheveningen verbleef
door de geheime groep rond Hans Teengs Gerritsen ingezet in een grote
heroïnezaak. Die affaire vormde de inleiding tot een langdurig kruisen der
degens met "Mooie Tinus" Fens, de toenmalige koning van de Haagse
onderwereld. Mitric werd daarbij gerund door "kolonel" Kurt
Görlitz en overste b.d. William Küchler.
Op 9 februari 1978 nam de recherche in een garagebox in Papendrecht 93
glimlachende Buddhabeeldjes uit Thailand in beslag. De actie maakte geen
onderdeel uit van een Beeldenstorm-reprise maar vormde het sluitstuk van een
internationaal gecoördineerde jacht op een partij heroïne ter waarde
van 12 miljoen gulden, die in de beeldjes verborgen zat. Eén van de bij
de jacht betrokken organisaties was de zelf tot zijn nek aan toe bij
drugshandel betrokken CIA, die vanaf het moment waarop de beeldjes Thailand
verlieten de partij in het oog hield (1). De eigenaar/financier van de
verzameling Buddha's met inhoud was volgens het Openbaar Ministerie Tinus Fens,
uitbater van sekshuizen en gokholen, handelaar in onroerend goed en al dan niet
verboden commodities, levensgenieter. Na een monsterproces werd "Mooie
Tinus" een paar maanden later tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld en
met een wat eenvoudig uitgevallen busje overgebracht naar de penitentiaire
inrichting Esserheem in het Drentse Veenhuizen. Wat de rol van Karate Bob is
geweest bij het oprollen van Fens cs. is nooit naar buiten gekomen. Zelf was
hij niet erg tevreden over de dekking die de groep-Gerritsen hem had geboden
tijdens zijn activiteiten binnen deze affaire. En hij was bang dat Fens een
licht was opgegaan. Dat bleek niet zo te zijn. De kwestie werd uitgesproken en
ruim een jaar later werd Mitric opnieuw tegen de Haagse onderwereldkoning in
het veld gebracht.
Connecties
In december 1979 verhuisde Bob vanuit Scheveningen eveneens naar het hoge
noorden en begon de gekooide Fens systematisch "af te leggen". Niet
alleen in opdracht van de groep-Gerritsen maar ook in het verlengde daarvan de
Inlichtingen Dienst Buitenland (IDB) tussen 1980 en 1986 onder leiding van
generaal-majoor b.d. A.J. Romijn, die Mitric in zijn correspondentie aanduidde
als "Romano". Binnen het project werd nauw samengewerkt met de CIA.
Als reden voor deze blijvende belangstelling van de zijde van de Company voor
de organisatie van Fens, werd gefluisterd dat zij "Mooie Tinus" op
politieke gronden niet vertrouwde. Hij zou namelijk in de jaren zeventig een
maand of vier om onduidelijke redenen in de Sovjet Unie hebben vertoefd.
Mogelijk. Zeker is in ieder geval, dat hij op grote schaal zaken deed met de
Libanees/Palestijnse zakenman Hassan Zubaidi, die in het geheim de PLO
financierde. Zubaidi werkte samen met Rifat Assad, de broer van de Syrische
president, en Manzur al Khassar. Een Syrische tophandelaar op het terrein van
wapens en drugs, die in later jaren zelfs tot een deal zou komen met
Iran/Contra-complotteur Oliver North. Diepgaand onderzoek in deze materie van
Kleintje Muurkrant heeft uitgewezen dat de PLO en Zubaidi in de periode kort na
het in gijzeling nemen van het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran
(november 1979) een belangrijke rol hebben gespeeld bij de
vrijlatingsonderhandelingen tussen de regering-Carter en het Khomeini-bewind.
Die bemiddelingsrol legde Zubaidi geen windeieren. Hij werd op zakelijk gebied
een belangrijke intermediair tussen het geïsoleerd geraakte Iran en de
westerse wereld. Allerlei commodities waarvan het land in een klap was
verstoken, werden via Zubaidi al dan niet legaal geleverd. Zelfs nucleair
materiaal (2). Een sterke anti-Carter fractie binnen de Amerikaanse geheime
diensten, die zich onder meer in 1980 onderscheidde bij de October
Surprise-affaire (3) en later bij het Iran/Contra-complot, zag dit hele
gebeuren met lede ogen aan en nam maatregelen om de Zubaidi-connectie onder
controle te krijgen. Inclusief de Haagse koning van de onderwereld.
Mitric had al in 1976, toen hij juist in Scheveningen was gearriveerd, pogingen
ondernomen om in contact te komen met de CIA. Hij had de Agency een paar
brieven geschreven waarin hij een uitgebreid resumé gaf van de
activiteiten van de verschillende Joegoslavische inlichtingendiensten en
solliciteerde naar een vaste baan. Voor de verzending ervan had hij de hulp
ingeroepen van Dusan Sedlar. Een via de World Anti Communist League (WACL) met
de CIA in verbinding staande Servische ballingenleider, die in april 1980 in
Düsseldorf zou worden vermoord. De eerste epistels die Mitric langs deze
weg verzond waren aan hem terugbezorgd door Görlitz en Küchler, die
de brieven in wezen gebruikten als een soort bewijs voor hun uitstekende
contacten in de intelligence-wereld, naast hun lidmaatschapkaartjes van de MID
(4). Na Sedlars ruw overlijden stuurde Mitric in het vervolg zijn voor de CIA
bestemde post naar de Amerikaanse ambassade in Den Haag via Ebel Kuiper, de
directeur van Esserheem. De als gevaarlijk bestempelde Joegoslaaf ging zelfs
met directeur Kuiper een paar maal op stap om bezoekjes af te leggen aan de
Amerikaanse consul in Rotterdam en de ambassade in Den Haag om kracht bij te
zetten aan zijn wens om te verhuizen naar de Verenigde Staten en in dienst te
treden van de CIA. Met ditzelfde doel introduceerden zijn "handlers"
Görlitz en Küchler hem zelfs nog bij de Amerikaanse militaire
attaché in ons land, Elmer Naber. Maar de Amerikaanse autoriteiten
hielden de boot af. Onderwijl maakten zij wel dankbaar gebruik van de
inlichtingen die Mitric hen verschafte. En die inlichtingen waren soms uiterst
interessant.
Chantage à la carte
In de loop van 1980/1981 stuitte de Joegoslavische karate-expert op
intrigerende verhalen over de connecties van Fens cs. in het zuiden van Spanje.
Zij zouden daar in navolging van bijvoorbeeld het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds hun avontuurlijk verworven kapitalen beleggen in verschillende
vakantiecentra. Met als ultieme klapper de bouw van een luxe jachthaven met een
aanpalend exclusief winkel- en uitgaanscentrum en prijzige appartementen in het
tegen Torremolinos aanleunende vissersplaatsje Benalmadena. Daarvoor was in
maart 1979 in Den Haag een contract getekend door de Madrileense zakenman don
Edmundo Alfaro Villen namens Fidecaya en de met Fens gelieerde Haagse
huisjesmelker Harry Hilders namens Almathon BV, die voor 44 miljoen gulden
deelnam (5). Op de 29ste van diezelfde maand tekenden de aannemers van het
project: Jack Velez (namens de ondernemingen Ocatio, Outinord en Sacra) en
Michel Unal (namens Spada). Benalmadena zou in de toekomst niet alleen gaan
dienen als jachthaven maar ook als aanlegplaats voor uit Marokko en Libanon
afkomstige drugsschepen van de Nederlandse mafia (6). Alles leek op rolletjes
te gaan, maar in de loop van 1980 begon Villen's beleggingsonderneming Fidecaya
plotseling water te maken en zonk. Dat had niet alleen rampzalige gevolgen voor
alle kleine Spaanse beleggers in zijn onderneming, maar bracht ook de
voortzetting van het Benalmadena-project in gevaar. Villen beschikte namelijk
over de licentie voor het hele project. Tussen 29 augustus en 2 september 1979
kwamen de topmensen van het project in het Madrileense hotel Melia Castillo
bijeen voor een spoedoverleg dat door CIA-agenten werd gemonitored. Besloten
werd om door te gaan. Het gat in de begroting dat door het Fidecaya-schandaal
was ontstaan, zou worden gedicht. Op welke manier dan ook.
Eerder dat jaar, op 6 maart 1980, was bij Wassenaar een geldwagen van Van Gend
en Loos overvallen door lieden uit de côterie van Tinus Fens. Officieel
bedroeg de buit een schamele 950.000 gulden. Tijdens het recherche-onderzoek
kwam al spoedig aan het licht dat één van de chauffeurs, Philip
van Loon, bij het opzetten van de overval betrokken was geweest, zij het onder
druk van Fens' paladijnen. Hij was het haasje en belandde bij de andere haasjes
in Esserheem. In de loop van 1981 vertelde hij aan Mitric dat de wagen buiten
de kleine miljoen gulden ook nog onofficieel 3 miljoen dollar en 240 kilo goud
van de Nederlandse bank had vervoerd. Die zouden bestemd zijn geweest voor de
financiering van de mede door de CIA geïnitieerde militaire coup in Spanje
op 23 februari van dat jaar (7). Maar volgens Van Loon was dat geld nooit
gearriveerd en was mede daardoor de coup mislukt. Mocht dit verhaal juist zijn
dan ligt de conclusie voor de hand dat de totale opbrengst van de Wassenaarse
overval richting Benalmadena is gesluisd. Waarmee Fens een slechte wissel op
zijn toekomst trok. Of hij zich dat heeft gerealiseerd blijkt niet uit zijn
gedrag in de jaren daarop. Hij was herhaaldelijk om allerlei redenen buiten de
poorten van Esserheem te vinden om zijn zaken op de rails te houden. En als hij
binnen die poorten verbleef stond hij bijna dagelijks in contact met Willem
Meijer, een belegger in onroerend goed die eveneens belangen had in het project
aan de zuidspaanse kust. In later jaren zou deze kleurrijke figuur nog furore
maken in de ABP-affaire door een vermeende chantagepoging op de directeur
beleggingen van het op één na rijkste pensioenfonds ter wereld Ed
(Mussert) Masson. En het bezorgen van rode oortjes aan een paar redacteuren van
de Volkskrant met verhalen over de chantabiliteit van vele witte boorden in
Nederland door hun bizarre sexuele escapades. Niet moeilijk te achterhalen wie
in veel gevallen de auctor intellectualis daarvan was.
Inmiddels was Mitric op redelijk goede voet geraakt met de eveneens op
tijdelijke basis in Esserheem verblijvende Frans de Wit, alias Pappa Blanca.
Van deze Rotterdamse koppelbaas vernam hij een verhaal dat ook aan Fens en zijn
volgelingen bekend was. Nederland zou volgens De Wit verzeild zijn geraakt in
een deal waarbij Urenco tegen een navenante betaling in het geheim een gestolen
partij uranium zou verrijken ten behoeve van een cliënt van Hassan
Zubaidi, die voor Pappa Blanca geen onbekende was. Eén van de
participanten in deze deal aan Nederlandse zijde zou een lid van de familie
Lubbers zijn. En ook daarmee zou Pappa Blanca connecties onderhouden. Hij zou
namelijk als koppelbaas arbeiders hebben geleverd aan Hollandia Kloos,
één van de bedrijven van de familie Lubbers, en daardoor vooral
directeur Rob Lubbers redelijk goed hebben leren kennen. Mitric zag zijn kans
schoon om zowel voor zichzelf als voor De Wit een flinke krop sla uit de
affaire te slaan. Ruud Lubbers had zich dan ook in 1982 nog maar nauwelijks in
het Torentje gevestigd of hij ontving over deze nucleaire materie al een brief
van Slobodan Mitric. In de loop van de volgende drie jaar ontstond een vrij
regelmatig contact tussen de premier en Karate Bob, waarvoor de ambtenaar van
Algemene Zaken Mansfeld (alias Mansfield!) als postillion d'amour fungeerde.
Maar de onderhandelingen, waarbij Bob een pakket eisen bij de premier op tafel
legde in ruil voor de partij gestolen uranium, leverde uiteindelijk niets op.
De Joegoslavische ex-agent bleek namelijk in tegenstelling tot wat hij beweerde
niet te weten waar de handelswaar verborgen was.
Wapentuig
Ook op andere wijze was Mitric in de nesten geraakt. Tijdens een paar trips die
hij in 1982 onder supervisie van Görlitz en Küchler maakte binnen het
kader van het anti-Fens offensief zou hij een paar dames hebben verkracht,
onder wie de echtgenote van Frans de Wit. Karate Bob bestreed dit in alle
toonaarden en riep tijdens de rechtszittingen dat er een complot tegen hem was
gesmeed. Najaar 1982 zou zijn straf voor de schietpartij in Amsterdam (8) erop
zitten en hij verdacht de Nederlandse autoriteiten ervan de verkrachtingszaak
te hebben geënsceneerd om hem achter slot en grendel houden. Omdat ze bang
waren dat hij zijn kennis over de uranium-affaire naar buiten zou dragen. Dat
was onzin. Want Bob had tijdens zijn detentie al het nodige over zijn
belevenissen in Joegoslavië, Zweden, Frankrijk en Nederland in boekvorm
uitgebracht. Zij het nogal versluierd, waardoor de kritische lezer nogal snel
afhaakte. Eind 1983 zou hij een nieuw boek op de helling zetten dat in 1985 op
de markt kwam onder de titel "Nederland's maffia" en een
exposé bevatte over zijn wederwaardigheden rond de kwestie-Fens. Hoewel
hij het in een briefwisseling met schrijver dezes ontkende, maakten ook
Görlitz en Küchler onder de pseudoniemen Grauw en Thiessen hun
entrée in het voor niet-ingewijden moeilijk te doorgronden boekwerk.
Tijdens het gerechterlijk vooronderzoek in de verkrachtingszaak belde Mitric
herhaaldelijk even Apeldoorn (i.c. Küchler) met het verzoek om op te
draven als getuige à décharge. En Görlitz ook. Maar
Küchler maakte de steeds bozer wordende Joegoslaaf duidelijk dat daarmee
het bestaan van het geheime commando van prins Bernhard's vriend Teengs
Gerritsen aan het licht zou komen. Hij kon dus niets voor hem doen. En
Görlitz ook niet. Mitric begon Küchler persoonlijk te bedreigen.
Volgens zijn echtgenote was dat naar haar overtuiging één van de
oorzaken van het plotseling overlijden van haar man in het najaar van 1982.
Zonder twijfel heeft Küchler "kolonel" Görlitz op de hoogte
gesteld van de dreigende moeilijkheden. Gezien diens ook door Mitric geroemde
integriteit zal Görlitz zeker hebben overwogen zijn trouwe Joegoslavische
"enforcer" uit de puree te halen. En dat ook ter tafel hebben
gebracht bij zijn superieuren.
Op 27 augustus 1984 werd Görlitz ten huize van zijn vriend Paardekooper
(9) onwel. Hij werd met spoed overgebracht naar het Haagse Rode Kruis
ziekenhuis, waar een hersenbloeding werd geconstateerd. Misschien niets
bijzonders voor een man van 72 jaar, hoewel hij nooit iets had gemankeerd. Wel
bijzonder was het geladen pistool dat hij bij zich bleek te dragen. Het was
voor de leiding van het ziekenhuis aanleiding om de politie te alarmeren. De
volgende dag om half een overleed Görlitz. Ruim twee uur daarna betraden
een aantal agenten, een paar leden van de Explosieven Opruimingsdienst en een
paar niet nader geïdentificeerde heren in burger in aanwezigheid en met
toestemming van zijn nichtje zijn woning aan de Haagse Gasseltestraat. Het
gezelschap trof er naast een enorme hoeveelheid boeken, kranten en
tijdschriften ook een niet zo misselijke wapenvoorraad aan, waarvan een deel
gekwalificeerd kon worden als museumstuk. Maar voor de rest gold dat zeker
niet. Vooral de dertien schiet-balpennen vormden een aanduiding tot welke
maatregelen de groep-Gerritsen zich soms geroepen voelde. Om negen uur 'savonds
waren zowel de woning als de verschillende boxruimtes die de overledene in
gebruik had gehad leeg. Vijf geheime tot ultra-geheime brieven, waaronder
één van oud-president Soekarno van Indonesië uit de periode
1945/1949 (10), werden geconfisceerd.
In diezelfde maand augustus waarin Görlitz plotseling overleed werd Karate
Bob van de koepel in Haarlem overgeplaatst naar Leeuwarden. Dat had nogal wat
voeten in de aarde. Het was namelijk de enige keer in zijn jarenlange periode
van detentie dat Mitric bang was om vermoord te worden. Dat gebeurde echter
niet. Op zijn oude tegenstander Fens was inmiddels kort na zijn vrijlating een
mislukte aanslag gepleegd. Een tweede, ditmaal succesvolle poging om bij hem
het licht uit te doen volgde op 17 december van hetzelfde jaar in de hal van
Almathon BV (11). Mitric maakte daarna zijn boek over de Fens-affaire af. Maar
niet nadat hij aan de Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Israëlische
autoriteiten had beloofd daarin niets over de nucleaire zaak naar buiten te
dragen (12). Hij hield zich aan zijn woord. Het geheime commando liep in de
tweede helft van de jaren tachtig op zijn laatste benen en hield op te bestaan
in 1990 toen Hans Teengs Gerritsen alias "Titani" op 7 oktober van
dat jaar overleed. Temidden van gekrakeel over Gladio en de IDB, die beide door
Lubbers in de periode die volgde om hals werden gebracht. Niet lang daarna kwam
eveneens een roemloos einde aan zijn eigen politieke bestaan. Vooral door
toedoen van de Amerikaanse president Clinton. Toeval bestaat niet.
Noten.
1. Uit "La Mafia Hundio Fidecaya" van de journalist Julian Lago in
het Spaanse blad Interviu, z.j.
2. Vergelijk het Belgische gerechtelijk dossier betreffende de sekte
"Ecoovie".
3. Zie daarvoor onder meer het gelijknamige boek van Gary Sick, uitgegeven door
Times Books, Random House, New York 1991.
4. Zie het eerste deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 337.
5. Zie het derde deel van "De achterkant van het beursschandaal" in
Kleintje Muurkrant 320.
6. Idem.
7. Zie voor Amerikaanse rol onder meer "La alternativa militar" van
José Luis Morales en Juan Celada, Editoral Revolucion, Madrid 1981.
8. Zie het eerste deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 337.
9. Zie het tweede deel van deze artikelenserie in Kleintje Muurkrant 338.
10. Idem.
11. Zie het derde deel van "De achterkant van het beursschandaal"in
Kleintje Muurkrant 320.
12. Dat valt te concluderen uit documenten uit het dossier-Mitric dat voorlag
bij het proces rond de verkrachtingszaak en voor een klein deel in bezit zijn
van Kleintje Muurkrant.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 342, 10 maart 2000
|