| Het prinselijk
schaduwcommando
(deel twee)
door Jan Portein
Vorige keer schilderden wij hoe in het midden van de jaren zeventig de in de
gevangenis verblijvende Slobodan Mitric in de greep raakte van een
"Gladio"achtig Nederlands netwerk dat onder leiding stond van Hans
Teengs Gerritsen, vriend en intimus van prins Bernhard sedert 1930. Zoals wij
schreven kreeg de in detentie verblijvende Joegoslavische agent in die periode
bezoek van twee wat oudere heren die zich legitimeerden met pasjes van de MID.
Zij bleken beiden deel uit te maken van dat prinselijk schaduwcommando.
Kleintje Muurkrant vond uit wie die heren waren.
De meest introverte van het mysterieuze tweetal was de uit Apeldoorn afkomstige
William Küchler, een overste b.d. van de Verbindingstroepen en
'afluisterexpert' (1). Degene die duidelijk de lakens uitdeelde was 'kolonel'
Kurt Görlitz (2) uit de Haagse Gasseltestraat.
Mitric over hem: "Hij was een Hollander van Indonesische afkomst die was
betrokken bij de geheime (veiligheids)dienst van het Koninklijk Huis. Hij was
een held in het vechten tegen fascisme, stalinisme en internationaal
terrorisme. Evenals mijn dierbare Hans Teengs Gerritsen".
Kurt Görlitz werd in 1912 in Medan op Sumatra geboren. Hij was een van de
drie zoons van een genaturaliseerde Duitse KNIL-officier en een jonge bloem uit
de gordel van smaragd. Van zijn vader had hij een levendige interesse voor
wapens geërfd en van jongs af aan sprokkelde hij op dat terrein dan ook
een respectabele expertise bij elkaar. Bovendien groeide hij uit tot een
formidabel schutter. Het zou zijn latere leven gaan beheersen. De jonge
Görlitz was zeker geen dombo wat leren betreft. Na het gladjes behalen van
het diploma vijfjarige HBS-B stortte hij zich met succes in een studie voor de
hoofdakte onderwijzer, aangevuld met de aktes Lichamelijke Opvoeding en Maleis.
Toen hij in 1936 zijn dienstplicht vervuld had trad hij in dienst van het
Departement van Onderwijs en Eredienst in Batavia. Hij maakte daar zo veel
indruk dat zijn superieuren hem al in 1938 de inkoop van alle leermiddelen ten
behoeve van zowel het blanke als het inlandse Lager Onderwijs in 'ons
Indië' toevertrouwden met een totaal budget van 9 miljoen gulden. Geen
vloeibare kattenbijdrage voor die tijd en heel wat listige lieden zouden onder
die omstandigheden van tijd tot tijd een stiekeme greep uit de buidel hebben
gedaan. De jonge Görlitz was echter niet uit dat kreupelhout gesneden en
hield uiterst consciëntieus de boekhouding bij. Zijn weg naar de toekomst
leek in die jaren geplaveid met siertegels maar de hordes van Hirohito maakten
er in de eerste maanden van 1942 een hobbelige B-weg van vol losse klinkers en
zonder verlichting.
Complotten en corruptie
Omdat de Japanse overheid de naturalisatie van Görlitz senior niet erkende
werden diens gezinsleden datzelfde jaar nog met de Duitse nationaliteit
opgezadeld. Normaliter geen cadeau om euforisch voor rond te springen. Maar het
betekende voor Kurt wel dat hij min of meer vrijelijk over Java kon
rondstruinen. Tijdens één van die tochten kwam hij in contact met
Achmed Soekarno. De belangrijkste voorman van de nationalistische beweging op
Java, die later de eerste president van Indonesië zou worden. En haast
vanzelf rolde Görlitz daarmee het wereldje van cloak and dagger binnen.
Het was dan ook niet echt verwonderlijk dat hij in de roerige tijd na de
Japanse overgave één van de leidinggevende figuren werd van de
Centrale Militaire Inlichtingendienst in Batavia.
In die capaciteit reisde hij door de hele archipel en bracht bliksembezoeken
aan Maleisië en Singapore. Zo raakte hij onder meer op de hoogte van vele
duistere details rond de moord op vaandrig R.C.L. Aernout in de nacht van 28
februari 1948. Aernout was eveneens actief voor de militaire inlichtingendienst
en stond daar te boek als agent 'nummer 15'. Via een onderzoek naar corruptie
binnen de Leger Technische Dienst van het KNIL was Aernout op een wapensmokkel
gestoten ten behoeve van de nationalistische opstandelingen. Daarbij bleken
naast een paar Nederlandse officieren tevens de Chinese handelaar Oei ek Koei
(zoiets verzin je niet) en Raden A.A. Hilman Djajadiningrat (een topfiguur uit
het koloniale Nederlands-Indische bestuursapparaat) betrokken te zijn. De
gloednieuwe wapens waren afkomstig van de Amerikaan Carlton S. Hire, die over
depots in Singapore en Manilla beschikte. Het geld voor de aankopen werd
gegenereerd uit de verkoop van 200 ton opium en morfine die oorspronkelijk
toebehoorde aan het Nederlands-Indische bewind, dat toen al een paar eeuwen
lang kapitalen uit de drugshandel had opgestreken (3). In 1942 was dit leuke
voorraadje door de Japanners geconfisceerd en door hen in 1945 in het geheim
overgedragen aan de nationalisten (4). Het was niet de enige zaak waarvan
Aernout de nodige kennis droeg. Hij had zich ook beziggehouden met de
verdwijning van de zogenaamde Nakamura-schat (5). Een enorme, door de Japanse
bezettingsmacht bijeengegraaide verzameling juwelen en andere kostbaarheden die
een minimale waarde van 80 miljoen toenmalige guldens zouden hebben
vertegenwoordigd. Een officier van de Nederlandse militaire inlichtingendienst
en een Australische collega van hem zouden een hoofdrol hebben gespeeld bij het
verdonkeremanen van de schat. Aernout was met het verzamelen van bewijzen voor
al deze uiterst corruptieve activiteiten al aardig ver gevorderd en daarbij zo
langzamerhand tot de onontkoombare conclusie gekomen dat zowel in de mand van
het Nederlands-Indisch regeringsapparaat als die van het KNIL een flink maaltje
rotte appelen zat. Die kennis werd hem eind februari 1948 fataal. Een handjevol
mensen met wie hij contact had onderhouden in verband met zijn onderzoek ging
eveneens vrij plotseling en onvrijwillig richting begraafplaats, nadat zij
pogingen hadden ondernomen om de waarheid rond de moord op Aernout boven water
te takelen. De zaak rond de plichtsgetrouwe vaandrig werd met geweld de doofpot
ingeramd. Pogingen van de nog altijd wegens oorlogsmisdaden bediscussieerde
kapitein Raymond Westerling en F.H. van der Putten, een voormalig technisch
ambtenaar van de Leger Technische Dienst in Nederlands-Indië, om de deksel
van die doofpot af te wrikken leden in de jaren vijftig en zestig treurig
schipbreuk (6). De vaandrig werd uiteindelijk bijgezet in het rijtje van andere
bekende Nederlanders die op onorthodoxe wijze het leven lieten en daarbij voor
langdurige deining zorgden, onder wie Christiaan Lindemans, Friedrich
Schallenberg en Tinus Fens (7).
Het netwerk
De chef van de Centrale Militaire Inlichtingendienst, die net als Görlitz
nauwkeurig op de hoogte was van de ins en outs van deze dramatische affaires
achter het bamboegordijn, was een oude bekende: kolonel J.M. Somer. Een
vooroorlogse houwdegen van het KNIL, die in 1939 was toegevoegd aan de staf van
GS III (de toenmalige Nederlandse Militaire Inlichtingendienst) en begin 1943
in Londen hoofd geworden van het onder toezicht van prins Bernhard staande
Bureau Inlichtingen. Somer beschikte over een democratisch gedachtengoed ter
grootte van een mierenei en hij had graag alles wat naar links zweemde tegen de
muur gezet. En niet voor een demonstratie wildplassen. Deze uiterst impulsieve
kolonel had al snel veel waardering voor Görlitz' inlichtingenwerk, zijn
stiptheid en zijn rol als postillion d'amour bij het leggen van geheime
contacten tussen de Nederlandse regering en Soekarno. Die contacten zouden
uiteindelijk na een beschamende koloniale oorlog in 1949 uitmonden in een
eerloze soevereiniteitsoverdracht. Een paar weken voor het zover was werd
Görlitz zonder veel ruchtbaarheid naar Nederland overgebracht omdat zijn
superieuren represailles verwachtten.
Ook Somer keerde uiteraard terug en hervatte in Nederland zijn activiteiten die
hij kort na de oorlog al was gestart ten behoeve van de opbouw van het stay
behind-netwerk Operatiën en Inlichtingen. Samen met onder meer de
BVD-toppers Einthoven en Van den Heuvel. Dat hij daarbij een gepokt en gemazeld
talent als Kurt Görlitz over het hoofd zou hebben gezien is net zo
onwaarschijnlijk als het aantreffen van kokospalmen op Rottummeroog. Somer's
rechterhand uit Batavia leidde aanvankelijk onder het genot van een
wachtgeldregeling op het oog een stil en onopvallend bestaan in Den Haag. Tot
hij in 1954 vanwege zijn fabelachtige kennis op wapengebied als conservator in
dienst trad van het Armamentarium in Delft, dat later zijn hoofdzetel in Leiden
kreeg en verder door het leven ging als het Legermuseum. Tegenover Mitric
verklaarde Görlitz ruim twintig jaar daarna dat hij ooit op het
hoofdkwartier van de CIA in Langley was geweest en dat hij Alan Dulles (vanaf
1951 tot 1961 respectievelijk onderdirecteur en directeur van de Firma)
persoonlijk kende. Mogelijk dat die verbinding in Görlitz' 'stille'
periode tot stand is gekomen en geplaatst moet worden tegen het licht van
Dulles' felle aversie jegens het 'communistische' regime van Soekarno, dat hij
met hand en tand bestreed. Zo vormde Dulles' regenjassenconcern bijvoorbeeld de
drijvende kracht achter een gewapende opstand op Sumatra in 1958, de productie
van een fake-filmpje waarop 'Soekarno' een blonde 'KGB-agente' besteeg en de
planning van een aanslag op de Indonesische leider in diezelfde periode.
Hoe dit ook zij, al een paar maanden na zijn indiensttreding bij het
Armamentarium reisde Görlitz heel West-Europa door. Hij duikelde daarbij
gratis en voor niks specimen van alle denkbare leger accessoires en
documentatiemateriaal op om ze in Leiden ter lering en vermaak ten toon te
stellen. Ook moderne wapens. Tevens trad hij op als instructeur voor Britse,
Duitse en Franse belangstellenden. Binnen welk kader hij een vrijbrief verwierf
om allerlei grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien die voor een
eenvoudig museumconservator normaliter niet zijn weggelegd, is onduidelijk.
Maar frappant is wel dat hij tot zijn pensioen in 1977 regelmatig met tassen
vol wapentuig op Schiphol arriveerde zonder ooit gecontroleerd te worden (8).
Al doende bouwde de aimabele Görlitz in militaire, justitiële,
politionele en industriële kringen, gemeentebesturen, douane en de Dienst
der Domeinen (9) een netwerk van nationale en internationale connecties op.
In 1959 dreigde even een kink in de kabel te komen toen het museum op het punt
stond ten onder te gaan onder invloed van draconische bezuinigingsmaatregelen
in Den Haag. Prins Bernhard greep persoonlijk in. Het museum werd ondergebracht
in een stichting. Het bestuur daarvan werd samengesteld uit vertegenwoordigers
van de ruime voorraad gepensioneerde balken en sterren, de ambtelijke toppen
van Defensie, Justitie en lokale overheid en een paar grootondernemers. De
prins himself werd tot beschermheer gebombardeerd. Een verzameling heren met
een exquis gladiolenaroma. Een vriend van Görlitz, de Hagenaar
Paardekooper, werd tot directeur benoemd en vanaf die tijd kwam het museum tot
weelderige bloei en het aantal zeldzame stukken dat kon worden geëxposeerd
groeide gestaag. Maar er ontstond in de loop der jaren eveneens een voorraad
doublures waarvoor Al Capone uit zijn graf zou verrijzen. Het was zonde om al
dat materiaal op zolder te laten liggen. Daarom ontwierpen Paardekooper en
Görlitz met toestemming van het stichtingsbestuur een uitleenregeling voor
betrouwbare wapenliefhebbers. De bulk daarvan bestond uit leden van
schietverenigingen uit Den Haag en Amsterdam-Noord (10). Heel vaak persoonlijke
kennissen van de directeur en de conservator van het Leidse Legermuseum. In
1972 ging Paardekooper met pensioen. Het stichtingsbestuur verzocht
Görlitz tot tweemaal toe om zelf de vacature in te vullen. Maar hij zag
ervan af. Dat kwam hem duur te staan. De nieuwe directeur en Görlitz
raakten in een onderlinge loopgravenoorlog verzeild waarbij messcherpe memo's
als kogels door de expositieruimtes gierden. Expositieruimtes die tot wanhoop
van Görlitz door een verbouwing de vergelijking met Pompeï konden
doorstaan. In die chaos verdwenen er ook wapens. Een gruwel in de ogen van de
precieze conservator.
Het moet voor Görlitz voor een deel dan ook een uitkomst zijn geweest dat
hij in 1977 het bijltje er bij neer kon gooien en voor het laatst de deur van
het museum achter zich dicht kon trekken. Er bleef nog één
kwestie onopgelost: de uitgeleende wapens. Pas in 1980 kreeg de Koninklijke
Marechaussee opdracht die aan de hand van een keurig bijgehouden register op te
halen. Maar zoals wij in het vorige Kleintje al beschreven was Kurt
Görlitz toen al lang en breed bij andere zaken betrokken. En nu fulltime.
Meer daarover in het volgende nummer.
Noten:
(1) Deze kwalificatie is afkomstig uit Mitric's boek "Nederland's
Maffia", uitgeverij Karate Europa te Amsterdam, 1985. De in 1982 overleden
Küchler diende als intermediair. Als Mitric het duo dringend nodig had dan
moest hij dus even Apeldoorn bellen. Volgens de inmiddels eveneens overleden
mevrouw Küchler (1997) werden die telefoontjes in de loop van 1982 minder
vriendelijk van toon en vormden volgens haar zelfs één van de
oorzaken van het plotselinge heengaan van haar echtgenoot. De in 1972
gepensioneerde Küchler behoorde tot de kring van oud-militairen rond de in
het eerste deel van "Het prinselijk schaduwcommando" voorkomende Coen
Janssen (zie Kleintje Muurkrant # 327).
(2) Heel wat mensen uit zijn kennissenkring noemden Görlitz 'kolonel'.
Maar uit in ons bezit zijnde correspondentie van Görlitz blijkt dat
nergens. Bij het ministerie van Defensie was over een militaire carrière
van Görlitz niets te vinden. Mogelijk is wel, dat hij binnen zijn
parallelle organisatie de rang van kolonel vervulde.
(3) Zie voor deze betrokkenheid onder andere de Nederlandse editie van het door
de Indonesische overheid uitgebrachte boek "Indonesian Heritage",
Uitgeverij Unipers, Abcoude, 1998.
(4) Zie over deze kwestie vooral een serie artikelen in het "Nationaal
Weekblad" De Leidsche Post van september tot en met december 1950 en het
dagblad Trouw in de eerste maanden van 1951.
(5) De schat was vernoemd naar de Japanse legerkapitein Hiroshi Nakamura die
een deel ervan (ter waarde van 10 miljoen) aan een Nederlandse vriendin had
geschonken. Zie De Leidsche Post en De Telegraaf dd. 23/10/1961.
(6) Zie bijvoorbeeld een serie artikelen gewijd aan de zaak Van der Putten in
De Telegraaf in de jaren 1961/1962.
(7) Christiaan Lindemans (alias King Kong) overleed onder verdachte
omstandigheden en in aanwezigheid van Mitric' held Hans Teengs Gerritsen op 20
juli 1946 in Den Haag. Lindemans werd medeverantwoordelijk gehouden voor het
verraad van de 'operatie Market Garden' in september 1944, waarbij Britse
luchtlandingstroepen bij Arnhem door de Duitsers werden opgewacht en praktisch
vernietigd. Lindemans had zijn dodelijke informatie verzameld bij Prins
Bernhard en zijn staf. Daarin figureerde ondermeer Kas de Graaf, een
verzetsvriend van Lindemans. Beiden waren sedert najaar 1942 informanten van de
Abwehr en betrokken bij het verraad van de onder communistische leiding staande
onverzoenlijke verzetsgroep CS 6. De Graaf werd na de oorlog een soort
'enforcer' voor ZKH die bij sommige gelegenheden al te lastige mensen het
zwijgen oplegde (ondermeer A.V.F. van der Gouw, schrijver van het nooit
afgemaakte boekwerk "Alias Teixeira") en zonder twijfel tot het
Prinselijk schaduwcommando behoorde. Voor de prinselijke aspecten van de
zaak-Schallenberg zie ondermeer het artikel "Soestdijk contra
Allende" in Kleintje Muurkrant # 326. Meer over de dood van Fens, de
koning van de Haagse onderwereld uit de late jaren zeventig en vroege jaren
tachtig, in één van de volgende afleveringen van het
"Prinselijk schaduwcommando".
(8) Vergelijk de rol van Blok in het eerste deel van het "Prinselijk
schaduwcommando" in het vorige Kleintje. Blok maakte bij zijn wapeninkopen
in Praag overigens gebruik van de contacten van ene Frits "Rus". Een
gevluchte Tsjech die eveneens tot de coterie van prins Bernhard behoorde en
zowel deelnam aan bijeenkomsten op Warmelo als aan safari's in Tanzania.
(9) De Dienst der Domeinen was notabene verantwoordelijk voor het opslaan van
de stay-behind voorraden.
(10) De Amsterdamse vereniging kwam in de jaren negentig nog ernstig in het
nieuws nadat een hoog CentrumDemocraten-gehalte in haar ledenbestand werd
aangetroffen.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 338, 18 november
1999
deel 1
|