| 220795/H 01.1358
vonnis 16 juli 2003
IN NAAM DER KONINGIN!
RECHTBANK IN HET
ARRONDISSEMENT AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE CIVIELE KAMER
VONNIS
in de zaak van:
Louis Alphonse VAN GASTEREN
wonende te Amsterdam,
eiser,
procureur mr. H.F. Doeleman,
tegen:
Pamela HEMELRIJK,
wonende te Amsterdam,
gedaagde,
procureur mr. E.E. van der Laan. V
Partijen worden hierna Van Gasteren en Hemelrijk genoemd.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
- dagvaarding van 11 mei 2001;
- conclusie van eis, met bewijsstukken;
- conclusie van antwoord, met bewijsstukken, waaronder processen-verbaal van de
op verzoek van Van Gasteren gehouden voorlopige getuigenverhoren;
- conclusie van repliek en vermeerdering van eis, met bewijsstukken;
- conclusie van dupliek;
- pleidooi dat gehouden is op 14 februari 2003, het daarvan opgemaakte
proces-verbaal, pleitnotities van de raadslieden en een bij pleidooi vertoonde
videoband;
- verzoek vonnis wijzen.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Vaststaande feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast.
a. Van Gasteren heeft op 24 mei 1943 een bij hem ondergebrachte joodse
onderduiker van Duitse origine genaamd Walter Oettinger om het leven gebracht.
Van Gasteren is terzake op 15 juni 1944 veroordeeld wegens doodslag (en het
onttrekken van het lijk aan nasporing) tot een gevangenisstraf voor de duur van
vier jaar. Op 17 januari 1946 is hem gratie verleend in die zin dat hem het nog
onvervulde gedeelte van de straf is kwijtgescholden.
b. In een artikel in het NRC Handelsblad van l december 1989 heeft Van
Gasteren zich over het ombrengen van Oettinger uitgelaten. In dit artikel is
hij onder meer geciteerd als volgt: " Er zijn in dit land twee gevallen
geweest die als gevolg van verzetsactiviteiten in aanraking zijn gekomen met de
toenmalige Nederlandse justitie. Een ervan ben ik. (...)Ik heb al dingen
gefilmd en gereconstrueerd, materiaal verzameld uit de oorlog, zelfs over de
liquidatie van die onderduiker, die voor mij gewoon een levensbedreiging was
-en niet voor mij alleen, maar ook voor anderen- en na gemeen overleg moest
worden geliquideerd. "
c. Naar aanleiding van dit artikel zijn in januari en februari 1990
artikelen verschenen in Het Parool van de hand van Bart Middelburg. Bij arrest
van 26 augustus 1993 heeft het Gerechtshof te Amsterdam (met vernietiging van
het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 1991 in zoverre) voor recht verklaard
dat deze artikelen over Van Gasteren, waarin de beschuldiging overheerst dat
hij zich zou hebben schuldig gemaakt "aan een (ordinaire) roofmoord"
voor Van Gasteren beledigend zijn en Het Parool en Middelburg veroordeeld tot
betaling van 50.000,- aan materiële schadevergoeding en
50.000,- aan immateriële schadevergoeding.
Het van deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 6 januari
1995 (NJ 1995, 422) door de Hoge Raad verworpen.
d. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 1997 in het
geding tussen Van Gasteren en de Pensioen en Uitkeringsraad heeft de Centrale
Raad kort gezegd geoordeeld dat het doden van Oettinger door Van Gasteren niet
tot zijn verzet in de zin van artikel l eerste lid van de Wet Buitengewoon
Pensioen 1940-1945 behoort, zodat het door Van Gasteren mede op die grond
aangevraagde pensioen in zoverre terecht is geweigerd. Daarbij heeft de
Centrale Raad overwogen dat voor het bestaan van een noodsituatie in objectieve
zin, verband houdende met verzetsactiviteiten, geen gegevens aanwezig zijn die
niet ten gronde berusten op opgaven van Van Gasteren zelf. Aan zijn oordeel
heeft de Centrale Raad toegevoegd dat het feit dat de Grote Adviescommissie der
Illegaliteit in januari 1946 de rehabilitatie van Van Gasteren heeft
uitgesproken niet tot een andere slotsom leidt, nu niet is kunnen blijken dat
daaraan daadwerkelijk verificatie van feiten ten grondslag ligt en dat dit ook
geldt voor de gratiëring van Van Gasteren in 1946
e. Op l december 1997 was het NPS-televisieprogramma "Het Uur van de
Wolf' gewijd aan een portret van Van Gasteren. Het programma is op 23 mei 1998
herhaald. In dit programma wordt hij geïnterviewd over de zaak Oettinger.
Van Gasteren zegt daarover onder meer:
"Totdat er een advies kwam: je slaat hem bewusteloos en je moet hem
verdrinken, een geluidloze operatie, en ik zorg dat hij wordt afgevoerd. En dan
komt zo 'n auto dus niet. Want dan is er een chauffeur ziek die betrouwbaar is.
(...) Ja, ik ben de uitvoerder van die daad en toen de oorlog dus voorbij was,
had ik verwacht, nou nu treedt er een artikel in werking en dat artikel was er
dus niet, daar voorzag de Nederlandse grondwet niet in, dat daden, die
voortvloeiden uit het verzet, maar door de Nederlandse Justitie berecht, dat
die ogenblikkelijk voor invrijheidstelling in aanmerking kwamen. (...) Dus de
procedurele zaak was alleen nog maar: ik kan een gratie vragen. En ben dan de
straat op, met welnemen van Majesteit. En dat is dus gebeurd. En in dat verslag
van dat gratieverzoek, wat de minister dan heeft uitgeschreven, daar wordt dan
ook gereleveerd dat ik aan het Nederlandse verzet heb deelgenomen en toen heeft
de Grote Adviescommissie der Illegaliteit een verklaring doen publiceren in
alle toen verschijnende dagbladen: Van Gasteren is in vrijheid gesteld en
daarmee is zijn casus teruggebracht tot de proporties waar ie hoort: dit was
een casus van een liquidatie die diende te gebeuren in het belang van het
verzet. Punt uit af " De genoemde verklaring van de Grote
Adviescommissie der Illegaliteit verscheen tijdens het interview langdurig en
goed leesbaar als persbericht in beeld. Deze verklaring houdt onder meer in dat
Van Gasteren "deze daad moest verrichten in het belang van het verzet
tegen den onderdrukker: het slachtoffer leverde door zijn gedrag een groot
gevaar op voor den verzetsstrijd. Naar aanleiding van deze feiten is Van
Gasteren thans gerehabiliteerd en in vrijheid gesteld."
f. Op 6 oktober 1998 heeft de journalist Hemelrijk een column over Van
Gasteren aangeboden aan het Algemeen Dagblad, met afschrift aan de procureur
van Van Gasteren, met als titel "Verzetsheld aan mijn hoela".
Nadat de procureur van Van Gasteren daartegen bij brieven van 7 en 8 oktober
1998 had geprotesteerd, heeft het Algemeen Dagblad afgezien van publicatie van
de column.
g. Op 2 november 1998 heeft Hemelrijk naar aanleiding daarvan een 'OPEN BRIEF
AAN DE HOGE RAAD' (verder: de Open Brief) gestuurd, welke eveneens is gestuurd
aan een aantal landelijke dagbladen en de procureur van Van Gasteren. Ook heeft
zij deze (enigszins aangepaste en aangevulde) Open Brief op haar website
geplaatst. Deze Open Brief luidt als
volgt:
h. Aan de Open Brief is aandacht besteed in het VPRO radioprogramma 'Aardse
Zaken' van 10 november 1998, de Groene Amsterdammer van 11 november 1998 en
HP/De Tijd van 20 november 1998.
i. Van Gasteren heeft naar aanleiding van de Open Brief een klacht ingediend
bij de Raad voor de Journalistiek. Daarin is hij niet ontvankelijk verklaard
omdat naar het oordeel van de Raad geen sprake is van een journalistieke
gedraging in de zin van artikel 4 lid l van het reglement Raad voor de
Journalistiek.
2. Van Gasteren vordert na vermeerdering van eis (I) als verklaring voor recht
uit te spreken dat de verzending van de Open Brief van 2 november 1998 aan de
Hoge Raad en de landelijke media en het plaatsen en geplaatst houden daarvan op
het internet onrechtmatig waren respectievelijk zijn jegens Van Gasteren; (II)
Hemelrijk te gebieden de Open Briefte verwijderen en verwijderd te houden van
het internet op straffe van een dwangsom, (III) Hemelrijk te veroordelen tot
vergoeding van de schade die Van Gasteren door de onder (I) bedoelde
onrechtmatige daden heeft geleden en lijdt, op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet; (IV) Hemelrijk te veroordelen in de kosten van het
geding.
3. Van Gasteren beroept zich daartoe in de eerste plaats op het onder l c.
genoemde arrest van de Hoge Raad, in het bijzonder op de rechtsoverwegingen
5.12.1 tot en met 5.12.4. Hij stelt dat Hemelrijk opzettelijk de strekking van
de Parool-publicaties die onderwerp waren van dat arrest opnieuw in de
publiciteit heeft gebracht door de suggestie van het Parool te herhalen dat
geldelijk gewin het motief van Van Gasteren zou zijn geweest om Oettinger om
het leven te brengen, dat Van Gasteren zich op een verzetsverleden zou
beroemen, dat hij in de publiciteit zou hebben beweerd gerehabiliteerd te zijn
en dat hij steeds zelf in de publiciteit treedt en aankondigt dat hij werkt aan
een film over de kwestie Oettinger. Van Gasteren acht dit onrechtmatig omdat
deze beweringen door de Hoge Raad onrechtmatig en/of ongegrond zijn geoordeeld.
Nieuwe feiten die het opnieuw in de publiciteit brengen van een en ander kunnen
rechtvaardigen zijn er volgens hem niet; zorgvuldiger onderzoek dan Bart
Middelburg heeft Hemelrijk niet gedaan. Bovendien heeft Hemelrijk ten opzichte
van de Parool-publicatie toegevoegd dat de zuster van Van Gasteren, Josephine,
een verhouding met Willy Lages (destijds hoofd SD in Amsterdam) zou hebben
gehad en verband gesuggereerd tussen die verhouding en de arrestatie door de SD
van Henk Sleijfer, de later in een concentratiekamp omgekomen politieman die
onderzoek deed naar de dood van Oettinger.
4. Door het om het leven brengen van Oettinger opnieuw met veel ophef en op
onaanvaardbaar suggestieve en ongenuanceerde manier in de publiciteit te
brengen en daaraan de geruchten omtrent Josephine toe te voegen, heeft
Hemelrijk het leed van Van Gasteren als gevolg van de Parool-publicaties
opzettelijk vergroot, zodat zij is verplicht de schade als gevolg daarvan te
vergoeden. De strekking van de Open Brief is dat Van Gasteren geen
verzetsdeelnemer zou zijn geweest, hoewel dit op zichzelf ook bij de Centrale
Raad van Beroep niet ter discussie stond. De uitlatingen van Hemelrijk in de
Open Brief zijn onjuist, kwetsend en onrechtmatig, aldus steeds Van
Gasteren.
5. Hemelrijk heeft de vordering bestreden op gronden die hierna aan de orde
zullen komen, met als hoofdmotief dat zij het recht heeft Van Gasteren tegen te
spreken als hij zegt dat hij Oettinger in het belang van het verzet heeft
omgebracht.
6. De rechtbank stelt voorop dat het arrest van de Hoge Raad in de zaak tussen
Van Gasteren en het Parool en Middelburg strikt genomen slechts gelding heeft
tussen deze (proces-) partijen. Bovendien ging het in die zaak kort gezegd om
de vraag of er in het toen voorhanden feitenmateriaal voldoende steun was te
vinden voor de suggestie in de bewuste artikelen in het Parool dat van
roofmoord sprake was. De vraag of de dood van Oettinger gedicteerd werd door
een verzetsmotief behoefde in die zaak naar het oordeel van het Hof geen
beantwoording, hetgeen door de Hoge Raad juist is geoordeeld, nu de eerste
vraag zich laat beantwoorden zonder te beslissen ten aanzien van het
verzetsmotief. Dat de dood van Oettinger een verzetsdaad betrof, is in die
procedure dus uitdrukkelijk niet beslist. Evenmin is beslist dat het
onrechtmatig zou zijn om daarover publiekelijk twijfel te uiten. Daar komt bij
dat ten opzichte van de stand van zaken ten tijde van de Parool publicaties die
onderwerp waren van het arrest van de Hoge Raad zich twee belangrijke nieuwe
feitelijkheden hebben voorgedaan, te weten de hiervoor aangehaalde uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep en de uitzending van "Het Uur van de
Wolf'. Enkele verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad kan de vordering dus
om verschillende redenen niet dragen, zodat in deze zaak een zelfstandige
afweging moet worden gemaakt tussen het belang van de vrijheid van
meningsuiting aan de zijde van Hemelrijk enerzijds en het (geschonden) privacy
belang van Van Gasteren anderzijds, waarna moet worden bezien of de door Van
Gasteren gevorderde beperking van de uitingsvrijheid van Hemelrijk kan worden
aangemerkt als in een democratische samenleving noodzakelijk in de zin van
artikel 10 lid 2 EVRM.
7. Bij die afweging kent de rechtbank in het bijzonder belang toe aan het feit
dat Van Gasteren met het interview in "Het Uur van de Wolf' zelf nog geen
maand na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep opnieuw in de publiciteit
is getreden over het om het leven brengen van Oettinger. Anders dan Van
Gasteren betoogt, is de rechtbank van oordeel dat hij deze gebeurtenis met zijn
onder 1e. aangehaalde uitlatingen in het genoemde programma wel degelijk heeft
gepresenteerd als een verzetsdaad. Verder valt in redelijkheid niet aan te
nemen dat het in beeld brengen van het persbericht waarin sprake is van
rehabilitatie zonder medeweten en goedvinden van (de cineast) Van Gasteren
heeft plaatsgevonden. Dit terwijl van een formele rehabilitatie -daarover
bestaat in dit geding geen geschil- geen sprake is geweest. Het aldus zelf
andermaal de publiciteit zoeken omtrent deze zaak brengt weliswaar niet mee dat
Van Gasteren zijn recht op privacy zou hebben verspeeld, maar maakt het beroep
daarop en op het recht om "alleen te worden gelaten" over de doodslag
op Oettinger, waarvoor hij is veroordeeld, gestraft en deels gegratieerd, wel
minder zwaarwegend.
8. Voorts is van belang in welke vorm de aangevallen meningsuiting is gedaan.
De rechtbank is met Hemelrijk van oordeel dat haar Open Brief het karakter
heeft van een column, aan welke uitingsvorm niet dezelfde (hoge) eisen mogen
worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek, zoals die door Bart Middelburg
werd beoefend. De Open Brief behelst bovendien voor een belangrijk deel (waar
het Van Gasteren aangaat) waardeoordelen, waarbij Hemelrijk op spottende toon
en in zeer scherpe, cynische en hekelende bewoordingen uiting geeft aan haar
verontwaardiging over de in "Het Uur van de Wolf' herhaalde lezing van Van
Gasteren dat sprake was van een verzetsdaad en de omstandigheid dat het haar
als journalist moeilijk zo niet onmogelijk wordt gemaakt om zich daarover in de
krant kritisch uit te laten. Verder geldt dat prikkelende en choquerende
uitlatingen in een column en dus ook de daarmee te vergelijken Open Brief door
lezers over het algemeen met een korreltje zout zullen worden genomen,
aangezien een zekere mate van overdrijving en een scherpe toonzetting aan
dergelijke publicaties niet vreemd is.
9. Anders dan Van Gasteren betoogt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet
worden gezegd dat Hemelrijk de eerder onrechtmatig geoordeelde beschuldiging
dat van roofmoord sprake zou zijn in de Open Brief heeft herhaald. Zij heeft
daarin slechts vraagtekens geplaatst bij het door Van Gasteren genoemde
verzetsmotief en op gekscherende, treiterige wijze gezinspeeld op de
mogelijkheid dat geld ook een rol heeft gespeeld. Dat kan mede gelet op
voormeld karakter van de Open Brief echter niet onrechtmatig worden geacht, ook
al is Van Gasteren voor de hem mede ten laste gelegde diefstal vrijgesproken.
Er is (ook naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep) geen overtuigend
bewijs voorhanden dat de doodslag op Oettinger een verzetsdaad betreft, terwijl
verschillende omstandigheden in een andere richting kunnen duiden, althans
daarmee moeilijk zijn te rijmen. Bijvoorbeeld de ook door Hemelrijk aangestipte
omstandigheden dat niet eerst naar een ander onderduikadres is gezocht, dat Van
Gasteren op eigen naam het bootje heeft gehuurd waarmee het lijk is weggevoerd,
dat hij de naam heeft genoemd van degene die hem daarbij geholpen heeft, dat
hij vrijwel meteen na zijn aanhouding heeft verklaard dat het slachtoffer een
ondergedoken jood was, dat hij niet consistent heeft verklaard over wat er is
gebeurd met het geld van Oettinger (naar Hemelrijk onweersproken heeft gesteld,
heeft Van Gasteren in een intake-verklaring in het kader van de
pensioenprocedure erkend 250,-, te hebben gevonden in de bezittingen van
Oettinger en zich dat te hebben toegeëigend) en dat hij na de oorlog geen
revisie, maar gratie heeft gevraagd. Hemelrijk kan, nu het beschikbare
feitenmateriaal niet eenduidig op een verzetsdaad wijst en er verschillende
aanwijzingen zijn dat mogelijk andere motieven, zoals bijvoorbeeld ook paniek
of vrees voor de eigen veiligheid, een rol hebben gespeeld, niet het recht
worden ontzegd uiting te geven aan haar twijfel omtrent het verzetsmotief van
Van Gasteren, nadat hij zelf opnieuw in de openbaarheid was getreden met zijn
onbewezen voorstelling van zaken dat sprake is geweest van een verzetsdaad.
10. Eveneens anders dan Van Gasteren betoogt, kan ook niet worden geoordeeld
dat de Open Brief de strekking heeft om te beweren dat Van Gasteren geen
verzetsdeelnemer is geweest. Hemelrijk heeft met bijtende spot vraagtekens
geplaatst bij zijn rol daarin en met name de bewering dat hij deel zou hebben
uitgemaakt van de zogenoemde Vrije Groepen. Ook hiervoor geldt dat het
voorhanden feitenmateriaal daartoe voldoende grondslag biedt. Uit verschillende
verklaringen komt naar voren dat de Vrije Groepen als organisatorisch verband
in elk geval pas gestalte heeft gekregen nadat Van Gasteren in verband met de
doodslag op Oettinger was aangehouden. Over zijn feitelijke activiteiten in het
verzet heeft Van Gasteren weinig concrete informatie verstrekt, afgezien van
het gedurende vijf dagen (van 19 tot en met 24 mei 1943) onderdak verschaffen
aan Oettinger.
11. Wat de door Hemelrijk in haar Open Brief ten tonele gevoerde zuster van Van
Gasteren, Josephine, aangaat, overweegt de rechtbank het volgende. In de eerste
plaats blijkt uit verklaringen vastgelegd in de in dit geding overgelegde delen
van het strafdossier dat zij ten tijde van het ombrengen van Oettinger door Van
Gasteren in het betreffende pand aanwezig was en zich tegenover de op het
geluid afgekomen buren inderdaad heeft uitgelaten in de door Hemelrijk vermelde
zin. Daarmee is niet gezegd dat zij, Josephine, zich destijds bewust was van
hetgeen zich in werkelijkheid afspeelde in de kamer waar Van Gasteren en
Oettinger zich bevonden, maar dat op grond van die verklaringen redelijkerwijze
de verdenking kan ontstaan terzake van medeplichtigheid (op de uitkijk staan),
valt ook niet te ontkennen. Van Gasteren zelfheeft bovendien verklaard dat hij
nog dezelfde avond kleren van Oettinger ten huize van zijn zuster heeft
verbrand. Vast staat dat Josephine ondanks een en ander niet als verdachte is
vervolgd. Vast staat ook dat de rechercheur, die met het onderzoek was belast,
Henk Sleijfer, op enig moment door de SD is aangehouden en in een
concentratiekamp is beland, waaruit hij niet is teruggekomen. Uit een brief van
de oud politieman Seket van 25 mei 1993 komt naar voren dat Josephine volgens
geruchten die destijds in politiekringen de ronde deden een relatie had met
Willy Lages en dat dit verband zou houden met de arrestatie van Sleijfer. In
het beschikbare feitenmateriaal is dan ook voldoende basis te vinden voor
hetgeen Hemelrijk in de Open Brief, wat de relatie met Lages betreft
uitdrukkelijk onder de noemer publiek geheim en roddel, over Josephine heeft
vermeld. Terecht stelt Hemelrijk dat niet valt in te zien waarom zij in de
context van haar kritiek op de presentatie door Van Gasteren van de doodslag op
Oettinger als verzetsdaad geen gebruik zou mogen maken van deze informatie, hoe
onaangenaam ook. De aard van de publicatie in aanmerking genomen, acht de
rechtbank ook deze passages daarom niet onrechtmatig.
12. Rest nog de vraag of Hemelrijk haar Open Brief in onnodig grievende
bewoordingen heeft gesteld of ingekleed. Vaststaat dat Van Gasteren in de
strafzaak destijds is vrijgesproken van moord en veroordeeld voor doodslag.
Voorzover Van Gasteren zich daarom beklaagt over het gebruik van de woorden
"moord" en "vermoord" merkt de rechtbank op dat het woord
"moord" naar gewoon, niet juridisch spraakgebruik vrijwel synoniem is
aan doodslag en dat de woorden "moord" en "doodslag" vaak
door elkaar worden gebruikt. Bovendien is in de (huidige) lezing van Van
Gasteren ("gemeen overleg") de kwalificatie moord strikt genomen niet
onjuist. Ook overigens kan niet worden gezegd dat Hemelrijk haar kritiek op de
presentatie van Van Gasteren op onnodig grievende wijze heeft geuit. De zeer
scherpe bewoordingen van de Open Brief bevinden zich hier en daar wel op de
rand van het toelaatbare. Mede gelet op de aard van de publicatie kan naar het
oordeel van de rechtbank evenwel niet van onnodig grievende bewoordingen worden
gesproken. Dat Van Gasteren ten onrechte een buitengewoon (verzets-) pensioen
zou hebben aangevraagd, valt in de Open Brief niet met zoveel woorden te lezen.
Wel wordt duidelijk dat Hemelrijk van mening is dat hij voor een dergelijk
pensioen niet in aanmerking komt, maar dat staat haar vrij.
13. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de
Open Brief weliswaar inbreuk maakt op de privacy (en de reputatie) van Van
Gasteren, maar dat deze na afweging van de in aanmerking komende belangen, alle
omstandigheden in aanmerking genomen, desondanks niet onrechtmatig jegens hem
kan worden geoordeeld. Voorzover daarvan op enig punt al sprake zou zijn, kan
naar het oordeel van de rechtbank overigens ook niet worden gezegd dat het
beperken van de vrijheid van meningsuiting in dit geval mede gelet op de
gevoeligheid van het onderwerp -het ombrengen van een joodse onderduiker
tijdens de tweede wereldoorlog in een televisie interview presenteren als een
verzetsdaad ligt voor nabestaanden van het slachtoffer, slachtoffers van
jodenvervolging en deelnemers aan het verzet evident gevoelig- in de zin van
artikel l O lid 2 EVRM in een democratische samenleving noodzakelijk is ter
bescherming van gerechtvaardigde belangen van Van Gasteren.
14. De slotsom is dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling
van Van Gasteren als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het
geding.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt Van Gasteren in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van Hemelrijk begroot op Euro 1.351,51;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Gewezen door mrs. A.W.J. Ros, W.A.H. Melissen en J. Jonkers, leden van genoemde
kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2003, in
tegenwoordigheid van de griffier.
|