Top Tien
Op verzoek van televisie-producent Reinoud Oerlemans maakte ik een lijstje van
'de tien belangrijkste vrouwen in jouw leven'. Het gemak waarmee ik tien dames
ex aequo even belangrijk laat zijn, zou uitgelegd kunnen worden als een blijk
van mijn nobele ziel; ik, die even genereus als gretig op de doos ging bij de
exemplaren van het zwakke geslacht die hier alle tien als even belangrijk staan
gerangschikt. Als ik eerlijk ben - eerlijkheid is een ziekte - doemt een heel
ander beeld op; als alle tien even belangrijk waren, zijn ze vermoedelijk
vooral
ook alle tien even onbelangrijk geweest. Een veelvraat maakt geen onderscheid,
hij moet scoren. Te vrezen valt dat alleen mijn moeder voor enige beroering
heeft gezorgd in m'n omgang met de andere kunne. Zij was een emotionele
terroriste en buitengemeen liefhebbend tegelijk, 't Zou kunnen dat ik - na haar
twintig jaar te hebben meegemaakt - genoeg had van emotionele bindingen met
prinsessen en koninginnen voor de rest van m'n leven. Voorts heb ik me altijd
beroepen op aangeboren 'verlegenheid', die ik vooral aanwendde als het schepsel
in
kwestie me niet heel boeiend leek. Waarom iemand gekwetst als men zich ook met
een smoes om bestwil uit de voeten kan maken?
Mijn eksteroog heeft me nooit in de steek gelaten als 't ging om het bindende
dat van sommige ontmoetingen na enige tijd uit dreigt te gaan. 'Verstikkend' is
een beter woord. Gevoed door een dubieus karakter en een geestesoog dat mij
honende voorstellingen opleverde van eigen naaktheid in de armen van zeekoeien
en feeën - altijd een belachelijk gezicht, met wie ook - besefte ik al
vroeg alleen te zullen blijven. De enige met wie ik - tegen beter weten in -
geprobeerd heb iets van een normale verhouding 'op te bouwen'( het klamme zweet
breekt me alweer spontaan uit, niet vanwege haar, maar vanwege mezelf), was de
moeder van m'n kind. Met haar leefde ik zo'n vijfjaar samen. Haar' hoogverraad
- er vandoor gaan met de hoofdrolspeler van een film die nog gemonteerd moest
worden - was vooral een opluchting; ik heb haar eigenlijk niets kwalijk
genomen, al is -
achteraf bezien - haar timing wat ongelukkig geweest. Gek genoeg weet ik zeker
dat als zij er niet vandoor was gegaan, ik altijd bij haar zou zijn, in het
belang van onze zoon en op voorwaarde dat ik het discrete overspel, waarvan zij
mij al jaren terecht verdacht - maar waarvoor ze werkelijk geen flintertje
bewijs had -, onbekommerd voort had kunnen zetten.
Respect is een penozewoord voor moordenaars en agressieve moslims, maar zou in
dit verband omschreven kunnen worden als De grote Leugen; geen verhouding
blijft intact als de ziekte van de eerlijkheid de kop opsteekt. Wij dienen te
liegen omdat ons zogenaamde eerlijk opbiechten de ander kwetst en om geen
andere reden van belang is dan verlost raken van het eigen kwade geweten.
Ik herinner mij de nacht toen Hermine Landvreugd een duidelijk niet van haar
afkomstige haarspeld vond in mijn bed - slordig, slordig - en me op hoge toon
ter verantwoording riep.
"Van Lieuwe", ( mijn zoon die toen vier was), zei ik zonder enige
aarzeling.
Ze zag dat ik loog, maar waardeerde mijn voorkomendheid. Een echte vrouw weet
dat liegen de kruipolie is van het intermenselijk verkeer.
Enfin, hier volgen ze, zoals gezegd, niet in volgorde van belangrijkheid maar
omdat ik hen alle tien vertelde hoe belangrijk ze voor me waren. In een betere
wereld zou ik mezelf geloven. Nu rest mij niets anders dan de cynische
conclusie dat ze ten diepste wezen inwisselbaar waren, bijzettafeltjes,
randversiering. En dat ik, Casanova van de pygmeeën, zich nog alleen met
schaamte kan herinneren hoe lief ze waren. En hoe ik niet meer deed dan
alsof...
Mijn gedachten gaan allereerst uit naar Santje, die ik ken vanaf m'n
veertiende.
Onwaarschijnlijk mooi, met rood haar en mistige ogen die ook toen al groot
ongeloof uitstraalden. Nooit is een meisje onschuldiger geweest. Wij zien
elkaar nog iedere Zondagavond, bij mij thuis op de canapé. Met Santje
zal ik oud worden, in een artiestenpension te Zuid Frankrijk, waar mijn enige
taak hieruit zal bestaan een vieze oude man te zijn, onder een parasol, dronken
tegen het middaguur. Santje knipt mijn teennagels - ik haat het knippen van
teennagels -, Santje bestookt mijn opvattingen met pacifistische gedachten.
Wassenaarser kunnen twee verknochte, oude mensen niet zijn.
Dan is er Charlotte, in wie ik me twee maanden heftig verliefde, zo rond m'n
vijfentwintigste. Uiteindelijk verkoos zij toch door te leven met haar
miljonair in London, zo mijn ego een lelijke buts toebrengend. Haar bijnaam was
'Charly' en dientengevolge heette de film die ik toen maakte ook zo, 'over de
relatieproblematiek tussen lijken en levenden'. Haar komt de eer toe de enige
te zijn geweest bij wie ik De Eerste Keer mijn geval niet omhoog kon krijgen.
Wij spreken elkaar regelmatig, en zulks tot wederzijdse herkenning. Haar
familie is, net als de mijne, getekend door onverstandige verzetsactiviteiten
tijdens '40-'45 en - hoe raar 't ook klinkt - dat schept een band. Ik val nog
altijd voor haar' prachtige mond en bespeur in mezelf één keer
per jaar de aandrang haar met een onwelvoeglijk voorstel het bed in te lokken.
Ze is een verstandige vrouw.
Anne Berdien was m'n eerste heuse liefde. Wij bekenden ons ten eerste male aan
elkander op het graf van een overleden vriendinnetje. Ik zond haar een
grafkrans voor haar verjaardag, mét een fles champagne en een wimpel:
"Goede wijn behoeft mijn krans." Bijzonder romantisch en gut, wat was
ze mooi, met kattenogen, sensuele lippen en een lome tred, alsof ze in een
vertraagde film rondstapte. Ze huilde als ze klaar kwam, wat niet naliet mij
heftig te ontroeren. Een zomer die nooit voorbij zou gaan, maar toen kwam die
abortus.
Ik herinner me nog levendig de wachtkamer van de NVSH, waar een dikke Duitser
naar mij knipoogde toen zijn vrouw'tje opstond om onder het mes te gaan. Uit de
boxen klonk gefluit van Thijs van Leer. 't Was niet duidelijk wie de vader was
van Anne Berdien's vrucht, ik-zei-de-gek of onze tekenleraar Tijmen. Tijmen
spreek ik nog altijd. Ik vroeg hem laatst: "Kunnen we niet 'ns met Anne
Berdien op stap?"
Met enige moeite achterhaalde hij haar nummer en kreeg haar aan de lijn. 't
Leek haar helemaal niks, zo'n weekendje in alle keurigheid Parijs, 'want we
zijn erg uit elkaar gegroeid'. Zij wel. Toen ik na ampele overweging en dus na
vijfentwintig jaar haar nummer draaide en me voorstelde, klonk in haar stem de
vrieskou van Siberië: "Ja?..."
Ze wist niet hoe snel ze op moest leggen, maar ik begreep nog wel dat ze mij
indringend haatte. Waarom toch? Nu ja, dat wordt weer vijfentwintig jaar
wachten, of eigenlijk nooit meer dus. 't Zij zo. Wakker lag ik er niet van,
raar vond ik 't wel, maar dat zal aan m'n aangeboren arrogantie liggen. Toch
hoop ik dat 't beter met haar zal gaan en dat de glorie van het moederschap
haar alsnog deelachtig wordt.
Dan is er Leslie, die ik de eerste keer tegen kwam bij de opening van een
tentoonstelling en die zeer beschonken stond uit te leggen hoe je baby's in een
magnetron roostert. De tweede keer dat we een visje prikten, vroeg ze me ten
huwelijk en ik zei volmondig: "Ja!" Niet dat ik verliefd was, of
zoiets, maar wat een leuke vrouw. Leslie belde haar moeder de volgende morgen
en zei: "Ik ga met Theo trouwen?"
"Les, 't wordt nu écht tijd dat je stopt met drinken!", sprak
het monster aan de andere kant. Wijze woorden, want Leslie dronk zich in rap
tempo ons voorgenomen huwelijk uit, waar ik braaf - het Ja-woord verplichtte -
de drank opzij had gezet.
Leslie komt op dit lijstje voor omdat ze de diepste dalen en de hoogste toppen
vertegenwoordigt. Leslie dronken die mij uitlegde dat 'wij ons altijd moeten
verzetten', ik kan me niks meer verschrikkelijker voorstellen. Leslie nuchter
en in haar sas is het liefste mens dat je in je' armen kunt sluiten. Ik had
haar een paar jaar niet gesproken toen ik haar in December tegenkwam in
"Alto", waar ze weer geheel onbekwaam bestraffende woorden in de
richting van ons klootzakken uitstiet. Een paar weken werd ze midden in de
nacht gesignaleerd op het dak van een ME-busje, op het Leidseplein. Ook nu weer
was ze in kennelijke staat en besloot de volgende morgen tot vrijwillige opname
in Sint Oedenrode, een somber klooster te Brabant, waar ik vroeger wel 'ns een
jongen uit de kroeg had opgezocht die, net als Les, tot de marteling van het
droogstaan veroordeeld was.
Mijn hart kromp inéén. Vrouwen als Leslie zijn een sieraad voor
de samenleving omdat ze pooiers, politici en patjepeeërs in het algemeen,
even onbevreesd tegemoet treden; in de omgang niet te hanteren, maar daarom
niet minder waardevol. Ik zocht Leslie op met Kerst in haar vrijwillige
verbanning en ze sprak, met onnavolgbare arrogantie: "Je mag met me naar
bed... Eén keer!"
Dit was wel het laatste wat ik wilde, maar hoe zeg je dat?
Ik kuste haar en sprak - naar waarheid - dat ik om haar gaf, een hele
bekentenis. Als ik Leslie kan ontlopen, zal ik 't niet laten, maar altijd weer
strandt dit verstandige voornemen; ze is té aardig...
Ik hoop dat ze overeind blijft.
Heleen is de moeder van ons kind en uit dien hoofde hors concours. Ze kwam mij
ondervragen voor een winkeliersblad, een prachtig meisje van
tweeëntwintig, en besloot meteen maar te blijven. Ik had daar geen bezwaar
tegen, hoewel we een week later weer ons weegs gingen wegens algehele
onleefbaarheid met elkander.
Ze krabte m'n gezicht tot bloedens toe open als ik met een grimeuze stond te
praten op een receptie. Waarna ik een politiewagen tegenhield met het verzoek
'deze overspannen tuttebel' naar haar huis te brengen. Kortom, er gebeurde
altijd wat, ik heb geen spijt van de vijf jaar die we met elkaar doorbrachten
en al helemaal niet van Lieuwe.
Als ik zei dat ze maar beter in het ziekenhuis kon bevallen, besloot zij dat
thuis te doen, op aanraden van de monsterlijke vroedvrouwen die in competitie
zijn met gynaecologen. Natuurlijk kwam Lieuwe uiteindelijk ter wereld waar dat
hoort, al vergeet ik nooit meer hoe ik alsnog met een op barende staande
geliefde de straat op moest om in paniek het ziekenhuis te bereiken.
Heleen had ( en heeft ) alles wat een vrouw leuk maakt; scherp, begiftigd met
het vermogen bijna ieder accent na te doen, een diepe afkeer van sommige
vrouwen en avontuurlijk aangelegd, dat wil zeggen, niet bang voor een snuif en
evenmin voor mensen. Gezegd wordt dat je altijd met elkaar te maken houdt als
je samen een kind hebt, en vermoedelijk is dat waar. Wij zijn nu tien jaar uit
elkaar, en die zijn me minstens zo goed bevallen als de vijf samen ervoor. Ik
hoop haar nog lang te spreken.
Met Juul woonde ik twee jaar samen op de Brouwersgracht. Wandelende Kunst,
jawel, betaald door de gemeente Amsterdam, en ik maar meehobbelen. Ze werd
doodgeschoten in m'n eerste film, de openingsscène. Wierp al mijn korte
films woedend te water. Was ook kwaad toen ik Het een keer met haar zus deed,
waar ik nog altijd spijt van heb, want hoffelijk was 't niet. Wilde een baby;
ik niet.
Na zeventien jaar besloot ik haar - waarom toch? - te bellen.
Of ik haar gemist had?
Jawel, loog ik.
Of ik van haar gehouden had?
Natuurlijk!
Ze moest huilen en ik bevroedde enig onheil.
Vijf dagen later was ze dood; hersentumor.
'Ze was zo blij dat je belde', vertelde haar zus: 'Ze wilde niet dat jij wist
wat er aan de hand was...'
Ik huilde tranen met tuiten op haar begrafenis. Misschien om de
onrechtvaardigheid van het leven. Misschien om de onmogelijkheid zonder
spatsies van iemand te houden. Juul was de paradijsvogel, ik de burgerman. Ze
at vegetarisch en rookte heroïne, 'high in the mind'. Een lieverdje.
Brigit kwam ik tegen toen ze twintig was. Ze is de enige voor wie ik een voor
haar beledigend liedje in de gracht heb gedeponeerd. Hoe was het refrein ook al
weer: "Ik ben de mandril/die billekoek wil!"?
Even verdorven als ik, dat schept een band, en bovendien geheel overtuigd van
eigen schoonheid en intellect. Brokkenpiloot dus en dat zijn de aardigsten.
Eén keer per jaar belt ze uit het verre Amerika, waar ze tegenwoordig
woont, om te zeggen dat ze alsnog met me trouwen wil en dan vraag ik of ze wel
goed bij haar
hoofd is; gelukkig niet.
Als je in problemen zit met een film, moet je haar laten kijken, haar oordeel
is messcherp. Ze trouwde met een vage ClA-agent, een sluimernicht zoals ik niet
naliet haar te vertellen, en - zoals altijd in haar gezelschap - had
gelijk.
Exploiteert nu met veel succes een eigen modelijn en is nog altijd op zoek naar
de ware liefde, die ze misschien nooit zal vinden, maar wat doet dat ertoe? Met
wie kan je meer lachen dan met Brigit? Ze is een typische exponent van de
progressieve grachtengordel, politiekcorrecte ouders die tegen de oorlog in
Irak waren, toen even voor, 'en nu weer tegen, geloof ik', zegt Brigit. Ze is,
politiek gesproken, de meest rechtse van mijn zwanen en maatschappelijk dan ook
verreweg het meest succesvol. Als ik me iemand voor de geest wil halen die er
altijd weer in slaagt een puinhoop van haar privé-leven te maken, denk
ik met solidariteit aan haar; noem 't de schok der herkenning.
Hermine Landvreugd kwam ik tegen toen ik haar ondervroeg voor AT5. Gut, wat heb
ik met haar lekker gevreeën, of hoe zeg je zoiets; wat een genade om de
mannelijkheid in te mogen plengen. Ze kwam vijf jaar lang trouw iedere Maandag
van 23 tot 8 uur. Ze verdroeg de prikklok die in mijn slaapkamer was gemonteerd
om haar kaart in te steken; alleen zo, door onze - nu ja - relatie enigszins
belachelijk te maken, kon ik onze omgang blijven verdragen.
Ze sloeg hard als ze jaloers was - kickbokster - en toen ze na al die tijd aan
de telefoon verklaarde dat zij een kind was van Jezus en 'jij van de duivel',
dacht ik dat de overvloed aan verstrooiende middelen die ze tot zich nam, nu
inderdaad hun tol vroegen. Meestal was ik dronken als ze langs kwam en
misschien was dat wel omdat ik dreigde verslaafd te raken aan de intimiteit die
als een stralenkrans boven ons bed hing. 't Was ongehoord; wat moest ik hier
mee?
Uiteindelijk was ze junkie en kwam bedelen om geld, dat ik haar
één keer gegeven heb. Ik voelde me een schoft. Toen ik op Tessel
was, bezocht ik haar geboortedorp - tien huizen, drie kerken - en begreep meer.
Om redenen die er hier niet toe doen was de tijd dat wij elkaar als schichtige
roofdieren aanraakten, de zwartste en meest ingewikkelde van m'n leven. Alleen
al daarom kan ik met niets anders dan grote warmte aan haar terugdenken. Ik heb
haar beschreven in een stukje voor Penthouse, "Alleen op Dinsdag", en
daar is geen woord gelogen bij.
Toen ik haar vroeg om als negerette aan mijn arm mee te gaan naar het
Boekenbal, waarbij ik voor de gelegenheid in een Ku Klux Klan gewaad gekleed
zou gaan onder een puntmuts met gaten ter ooghoogte en op de rug het opschrift:
"Wasserij De Winter wast witter!", zei ze tot mijn verbazing geen
Nee. Nergens bang voor, met een tragische en ook wat onbegrijpelijke hang naar
de goot, want ze gold terecht als 'talentvol', deze schrijfster, met een
glanzende loopbaan voor zich. Daarvan zal niet veel meer terecht komen, maar
wie zegt dat je voor de kunst moet leven?
Als ik een sentimentele bui heb, ontsteek ik alleen voor haar een kaarsje. Ze
verdient 't.
In Los Angeles woont Denise, halverwege de dertig nu, die ik leerde kennen toen
ze achttien was. Ze was getrouwd met de regisseur van A Nightmare on Eim-street
deel 5 en niet gelukkig. Hier kwam ik goed van pas, want 't laatste wat ik
wilde, was iets bestendigs en toch... een grapje hier, een grapje daar. Ze reed
me 't liefst naar Venice Beach, onderwijl haar inzichten in het wonder van het
leven op niet mis te verstane wijze aan mijn sceptische oren prijs gevend. En
nog altijd belt ze me, soms midden in de nacht, om me uit te nodigen voor een
sessie met haar healer, of een bezoekje aan Hawaï te brengen, waar een
wijze vrouw schijnt te wonen die ons 'spirituele leiding' geven kan. Ze is
goedmoedig onder mijn eeuwige getreiter en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat
toen ik een jaar of wat geleden weer bij haar op bezoek kwam, en weer naar
Venice Beach reed in
haar BMW cabriolet, ik even dacht: "Waarom ben ik niet twintig jaar
geleden bij haar gebleven?"
De vraag stellen, is het antwoord geven; oorlog, opmerkingen louter en alleen
om te kwetsen, Denise brengt het mooiste in me boven. Ze was een schoonheid als
meisje van achttien, maar ook toen al voortdurend in de weer met het Hogere. Ik
word daar getikt van. Maar O, wat kan ze lief zijn en wat voel ik me een
schuldige zak in haar gezelschap... Vannacht belde ze weer en ik hoorde 't
mezelf zeggen: "I miss you..."
Leugenaar. En toch...
En dat is er nog Pauline uit Toronto, die wegliep tijdens het Filmfestival bij
de vertoning van "Een Dagje Naar Het Strand". Schandelijk, nietwaar?
Ze was twintig jaar ouder en riep af en toe "Mengele! Mengele! Je doet
cement in m'n baarmoeder!" Heel gezellig kortom, maar ook wat tumultueus.
We neukten overal ter wereld en vermoedelijk tot beider diepe voldoening.
Twintig jaar ouder dan ik, mag ik wel zeggen dat ons samenzijn ongebruikelijk
maar verheffend was. Ze moet nu in de zestig zijn. Ik weet niet of ik nog in
vuur en vlam zou raken, maar terugkijkend was ik ernstig verliefd op haar en
dan is in zekere zin alles waar en heeft 't geen nut je af te vragen hoe je in
Godsnaam zo tekeer kon gaan voor een verhouding die in de kiem al gesmoord was
in onvermogen en afstand.
Nooit betere telefoonsex gehad ( klaar gepraat te worden over de oceanen heeft
iets huiveringwekkends intiems), nooit meer gelachen dan die keer dat je met
haar op de joodse begraafplaats in New York tussen morrende nabestaanden stond
("Wij hebben een graf besteld dat verder weg van de snelweg zou
liggen!") en de
rabbi geagiteerd uitriep: "Shut up! It 's a mee spot!"
Zij belt wel 'ns, ik bel wel 'ns en 't gaat altijd over vroeger, en of ik nog
'ns langs kom. Zuchtend doe ik vage toezeggingen en voel me een slecht mens. De
dood komt met gebreken. Kon iemand genadelozer beledigen? Kon iemand dieper
lief hebben? Op een nacht kwam ik thuis; paspoort in brand gestoken, gordijnen
in brand gestoken, en op de muur stond een varken geschilderd: "You fat
lying pig!"
Waar werd ooit oprechter trouw?...
Ik denk wel 'ns hoe ze uit het raam kijkt vanuit het Manual Life Building op 44
Charles Street, over de ijzige vlaktes van Toronto. Alleen was ze wel; is ze
wel. Ik kan er niks meer aan doen. Als 't niet zo vol vals pathos was, zou ik
er een liedje aan wijden, over de knagende wetenschap jij geen onverstandiger
keus had kunnen maken, maar dat zij de enige was om wie 't ging.
Gelukkig kan ik niet zingen.
Paasmorgen keek ik naar de mistige zwart-wit beelden van een in 1964
geregistreerd optreden van Jacques Brel. Je moet over zijn formidabele talent
beschikken om iets anders over de liefde te menen dan dat 't - terugkijkend
vooral belachelijk dient te worden gemaakt. Brel's talent was om zo
kwetsbaar, zo naakt
aan den volke te verschijnen, dat er niets anders overbleef dan gefascineerd
gekluisterd raken. Brei nam zichzelf daarin volstrekt serieus en dat moet ook,
denk ik, als je zo langs de rand loopt. Ik kan mij dat niet permitteren.
Heb ik er al tien beschreven?
Er is nog Suzan, er is nog dingetje en hoe-heet-ze-ook-al-weer. Mocht ik deze
week uit de lucht vallen, met het vliegtuig van of naar Kreta, ze zullen
hopelijk met een zakdoek aan m'n graf staan om te bewijzen dat ik niet heb
opgeschept, m'n treurwilgjes. Ze buigen zich voorover, stel ik me zo voor, na
eerst een hap van m'n as uit de urn te hebben genomen. Dadelijk is er
champagne, om de vieze smaak weg te spoelen. Maar nu en hier, bij m'n graf;
zullen ze spugen of kussen?
Laatst stuurde een bevriende advocaat me een foto van een baby, met achterop de
foto alleen een mobiel nummer. Hoeveel mannen zullen, net als ik, een halve
hartverzakking hebben gekregen? Gelukkig, hij was 't maar. Maar wat onze
consigliere goed begrepen had, was dat er maar één waarachtige
nachtmerrie is die ons
penopauzers nog bedreigd... zo'n foto van een baby met een nummer.
Wie?
Waar?
Kut-wijven...
Mijn aangeboren verlegenheid heeft me verhinderd sappiger over de dames te
schrijven. Ik bied hen daarvoor niet m'n verontschuldiging aan, hooguit een
geheven vinger; Fuck You!
Baron van Wippensteyn was ik toch al niet, hoewel wel altijd trouw aan mijn
verplichten als man, nietwaar dames?
Maar waar gaat liefde over?
Liefde is overbodig.
Theo van Gogh
|