 |
Op Donderdag 11 November jl. werd ik
verhoord op het bureau Warmoesstraat van de Amsterdamse politie. Ik was
gevraagd om mee te werken aan een zogeheten 'vooronderzoek'.
Aan de balie stond een junkie-mevrouw zo ziek te wezen van haar door geldgebrek
afkicken dat m'n maag omdraaide en ik uit zelfbescherming vijftig gulden gaf om
haar snel te laten scoren. Ze leek me een lieverdje, trouwens, en ik vroeg me
alweer af wat voor soort beschaving wij pretenderen uit te dragen die een
meisje aan de heroïne als het ziekste vuil de straat opschopt. Nu ja, tot
zover het pittoreske voorspel.
Twee inspecteurs verhoorden mij. 't Ging over de column "Leve de
islam!" en de column "Fuck Off!", beide vier jaar geleden
geschreven, de eerste in HP/de Tijd, de tweede op een internetsite van een
ondernemende oplichter die zijn medewerkers niet betaalde. Het meeste aanstoot
had gegeven "Leve de islam!", waarin hulde wordt gebracht aan Adriaan
van Dis, die zo dwangmatig aardig gevonden wil worden dat 'ie tot aan de galg
'de dialoog' zal zoeken met fundamentalistische islamieten. Het bewuste citaat
luidde aldus: "Waarom zou je 'in dialoog' gaan met mensen die het Vrije
Westen in hun diepste wezen verachten? Wat heeft Van Dis te schaften met
gelovigen die flikkers 'onrein' vinden, net als ongestelde vrouwen, ongelovigen
en alle anderen die niet aan de normen voldeden van die geitenneuker uit
Mekka?"
De inspecteurs waren aardige mannen die me koffie gaven en vertelden dat 't
hier 'een vooronderzoek' betrof naar mogelijk strafbare uitingen. Het
initiatief om een juridische vervolging op gang te brengen, kwam deze keer niet
van het Openbaar Ministerie maar 'vanuit het Hof'.
Wie dan?
Dat mocht ik niet weten.
Een klager namens het volk was meneer F. Grubben, van wie ik het adres niet
mocht hebben. Waarom niet?
Omdat ik eens over zou kunnen gaan tot publicitaire begeleiding die klager niet
als amusant zou ervaren. Want dat is de schoonheid van de zich noemende
Nederlandse rechtstaat; ik ben dik, heb blauwe ogen en blond haar, kom uit
Wassenaar en kan me niet beroepen op het reetkeverschap; voorts ben ik geen
racistische beroepsneger, zoals Stefan Sanders, en kan men mij niet van
rechtswege ontslaan zoals Jules Croiset, die weliswaar anoniem ouders belde met
de mededeling dat 'ie hun kindertjes zou gaan vergassen, maar Goddank beschikte
over een moeder die lid was van de NSB, zodat er een hoop gekwebbeld kon worden
over meneer's "identiteits-problematiek."
Je zou kunnen zeggen "Waarom komen ze hiermee pas na bijna vier
jaar?" En je zou je kunnen afvragen of er bij het Hof niks beter te doen
is dan een klimaat van juridische terreur in het leven te roepen jegens
eenieder die 't in zijn hoofd haalt Marrokkanen of de Islam belachelijk te
maken.
't Betreft hier een vooronderzoek. En dat ik naast de christenen die mij wegens
belediging van hun Heiland voor het Europeese Hof dagen, nu ook verheugenis mag
putten uit de razernij van het vullis aan de andere kant, stemt zeker
dankbaar.
Ik ben heel benieuwd wie bij het Hof over mijn arme ruggetje carrière
wil maken en ik kan nu al melden dat meneer Grubben spijt gaat krijgen van de
dag dat 'ie een vinger naar me heeft uitgestoken. Officier van Justitie meester
Mijnssen, die mij op aangeven van Sonja Barend negeneneenhalf jaar
achtervolgde, stierf nog niet zolang geleden op drieënvijftigjarige
leeftijd.
Ik las de rouwadvertentie met de verslagenheid van zijn collega's ('Veel te
vroeg ging van ons heen...') en wist weer dat de grote Scenarioschrijver
Hierboven strikt rechtvaardig is! Aan het overlijden van deze dappere strijder
mocht ik een stukje wijden, genaamd: "Laat duizend champagne-kurken knallen!"
't Zal deze keer niet anders gaan.
Of ik weer de hele gang van een proces zou willen meemaken, is de vraag. Ik
weet nog niet hoe ik mijn minachting voor deze poppenkast 't effectiefste voor
het voetlicht breng. Dat er vanwege mijn persoontje geen handtekeningenlijst
zal rondgaan onder deftige literatoren die protesteren tegen een verbod op een
mening, tekent eens temeer de onwenselijkheid van mijn gelijk. Ik zeg 't met
enige ironie, maar toch..; ik had maar beter de riooljodelaar van Charlerois
kunnen blijken te zijn.
|