Rond de dorpspomp.

Motregen druilde over het Leidseplein, maar ik-zei-de-gek hobbelde opgewekt voorwaarts, want ging naar de film. "Zou je het leven van je kind kunnen verzekeren bij FBTO?", dacht ik: "Toch 'ns bij Monique van der Ven informeren."
Mevrouw Van der Ven acht ik persoonlijk de grootste actrice sinds Greta Garbo. Mijn aangeboren verlegenheid heeft me tot nu toe verhinderd hiervan melding te maken, maar sinds ik weer een podiumpje tot mijn beschikking heb, brandt die lof me op de lippen. Denkend aan Monique hoor ik de kassa integer rinkelen en strooi wat eikeltjes op een graf. Ik had het gevoel: "Is mijn leven ooit zo geweldig geweest?"
De film ging over de advocaat van de Duivel, met Al Pacino als Satan Himself. In Cinerama Bellevue zaten zo'n dertig allochtone jongeren, kamelenneukers uit Marokko om precies te zijn, die voor de overige naar schatting tachtig aanwezigen de vertoning bedierven met geloei, gehinnik en gegiechel. Twee jongens zaten "Van Gogh!" sissend achter me en ik voelde een hand in mijn nek. Nu heb ik in de Volkskrant geleerd dat er zoiets is als 'lichamelijk integriteit', dus, hopla!, m'n arm zwiepte omgedraaid zomaar als een klapje in het gezicht van één van mijn plaaggeesten. Ik sloeg niet hard genoeg om de voortanden van meneer te slopen, maar een bloedneus had 'ie wel. Ik gevoelde een positieve grondhouding.
Vanwege het lawaai was er naar de film bijna niet meer te kijken. Na afloop dromden woedende bezoekers rond de bedrijfsleider, die zenuwachtig op z'n snor beet en verklaarde: "'t Is de laatste dag van de Ramadan, daarom waren ze zo vervelend. Ik heb vanmiddag drie keer politie in de zaal gehad, maar die durven niks te doen. Sorry."
De zegeningen van de multi-culturele samenleving zijn ontelbaar. Een bezoeker uit de Verenigde Staten stond luidkeels te kankeren. "Waarom worden die kinderen toegelaten? Waar zijn hun ouders?"
"'t Zijn Marokkanen", zei ik: "Die hebben geen ouders."
"Wat heb ìk eigenlijk met Ramadan te maken", schoot 't door me heen, "Laat ze lekker in Marokko gaan vasten en mij niet lastig vallen...", maar dat durfde ik natuurlijk niet hardop te zeggen, want voor je 't weet krijg je een bon van de gedachten-politie.
s' Avonds was ik uitgenodigd om te eten in de Kring. Ik zat te lachen met Raoul Heertje, Pieter Storms werd dronken, consigliere Stefan Kalff schudde grappen uit z'n mouw, Remco Campert kwam even langs en verderop zat Stefan Sanders, columnist van de Volkskrant. Ongevraagd schoof Sanders aan met in zijn kielzog een gepigmenteerde reetkever die gilde dat ik een vrouw niet als 'negerette' mag betitelen.
Waarom niet eigenlijk?
Ik vind Sanders een geparfumeerde Feldwebel, maar de hol-tor naast hem gesticuleerde wuft; een deerne in de meno-pauze, maar nog altijd op jacht naar de Man. Zou er in Sanders' endeldarm ruimte genoeg zijn voor dit bevallige hoofd?
Nu ja; a splendid time was shared by all. Ik ben geen lid van de Kring, al was 't maar omdat men geen lid behoort te zijn van een genootschap dat Theo van Gogh toelaat. Ik rekende fl. 600,- af en wilde nog even een drankje nuttigen in de bar beneden omdat ik verliefd ben op mijn ranke den Mimmie Kok, die van de drank af is maar daarom nog niet van de speelautomaat.
De portier hield me tegen:"Er is een klacht tegen je ingediend en de voorzitter wil je niet toelaten."
"Door wie dan wel?"
Door Meneer en Mevrouw Sanders. Natuurlijk.
Tegen zulke deftige mensen durf ik niets te ondernemen. Ik ging weg in de wetenschap dat De Kring z'n kasplanten goed beschermt. Daar heb ik alle begrip voor, zoals 't ook mijn goedkeuring heeft dat Harry de Winter zijn zwarte centjes in De Kring steekt, want als het kerkhof danst juicht mijn hart. Nergens is de geur van overlijden penetranter dan juist hier op de beroemde kunstenaarssociëteit!
De volgende morgen stond ik op de Oosterbegraafplaats om Karina Keuchenius te cremeren. Karina, gewoon een getikt Indisch meisje, van wie ik me herinner dat ze een verrukkelijke kut had en een hart van goud. Ik was al haar al zeker tien jaar niet meer tegengekomen.
Er waren twee zussen, een gebroken vader, een broer en een peutertje dat door de toespraken heen lachte. Karina had zo'n last van haar rug gehad, maar in het AMC hielden ze 't op 'jicht'. Longkanker dus, met gezwellen uitgezaaid en niks meer aan te doen. 'Een interessant geval' volgens de professoren, maar daar had de overlijdende niet zoveel aan. Enfin, morfine hielp evenmin en ze stierf thuis, 'want in het ziekenhuis mag je geen weed roken.'
Ik bedacht me hoe alleen ze geweest moet zijn en waarom mensen die ècht afwijken het aller-koudste universum wacht. Eenzaamheid is de ergste ziekte en ìk schaam me dat ik Karina niet nog één keer in m'n armen heb genomen. Als er een God is hoop ik dat Ie lief voor haar is.
Haar zus: "Toen ik voor 't laatst bij haar was, zei ik: 'Je gaat nu een lange reis maken. Maar we komen elkaar zeker weer tegen!' Ze glimlachte en zei: 'Reken maar!' Ze was niet meer zo in paniek, gelukkig, ze had er vrede mee."
Waarom begrijp ik niet, maar van zulke verhalen gaat een gevoel van onrechtvaardigheid uit dat me letterlijk misselijk maakt. Even later stond ik te kotsen in de bosjes, om mezelf -grote klootzak-, om Karina en de vergeefsheid van wat in de ogen van de grote Scenarioschrijver hierboven een onbelangrijk leven zal zijn geweest.
Was ìk maar dood.






INHOUD


U SCHREEF


ARCHIEF

Slijmen of
Schelden?
Schrijf Terug!