 |
Vijftien Oktober trouw ik met een
bijzondere vrouw. Toen ik haar voor 't eerst tegenkwam, zat ik te kussen met
een heuse Kunstenares. Dit was tijdens de opening van een heuse
tentoonstelling. Op verzoek had ik een doorzichtige koffer aan een muur
gehangen. De kunstenares had me verteld dat zij - hoewel van wanten
wetend - nog altijd over een intact maagdenvlies beschikte. En ze zei ook:
"Ik heb altijd van jou gehouden..."
Dat liet ik mij geen twee keer zeggen.
De dame die nu mijn aanstaande wordt, kwam er niet aan te pas.
Nu wel.
Zulks heeft te maken met haar doorzettingsvermogen en een beetje met mijn
zwakke karakter. Ik ben in zekere zin weerloos, want altijd op jacht naar de
aardige anecdote. Mijn leven kan worden samengevat in een paar aardig op te
dissen sterke verhalen aan de bar. Veel meer is een leven meestal niet.
Vijftien Oktober is onze grote dag en hoewel ik aanvankelijk nog wel eens
lichte paniek gevoelde bij de gedachte aan al dit onmetelijk geluk, draag ik
mijn lot nu als een man, dat wil zeggen met geheven hoofd. Ik ben nog steeds
ernstig op de Mevrouw in kwestie gesteld.
Zij had één meesterzet voor mij in petto; suikerzoet vroeg ze me
of 't goed was dat 'wij als maagd ons huwelijk ingaan'? Als iemand jou bij de
derde ontmoeting ten huwelijk vraagt en jij volmondig "Ja!" van je'
eigen lippen hebt horen komen, kon dit er ook nog wel bij. De eerlijkheid
gebiedt me te zeggen dat de Mevrouw in kwestie het tegendeel van monogamie
verwacht: "Er is geen vrouw die tegen mij op kan. Ga je gang!"
Ze klonk alsof ze 't meende. Ik op mijn beurt besloot me uit respect voor
één keer te bekeren tot het concept van Trouw. En aldus
geschiedde. Ik heb me nu al twee maanden niet mogen overgeven aan de Eeuwige
Beweging - voor deze jongen voorlopig geen dansje op de doos - en de gevolgen
zijn eh...indringend. Voor 't
eerst sinds jaren is over mij gekomen een zeker verlangen, of moet ik zeggen
'stille trek'. Ik hunker, lach me zelf uit, zie overal vrouwen op straat die ik
onder normale omstandigheden niet zou bekijken; ik pijnig mijn geestesoog met
hun ongeziene borsten, het glimmen tussen hun benen, ik lik hun klit en een
diep gegrom uit voorwereldlijke diepten is mijn deel. En dat nu uitgerekend
tijdens deze prachtige zomer, nu de meisjes van Amsterdam hare welvingen met
zon overgoten aan de wereld tonen, loom, geil, behagelijk... Waaraan heb ik 't
verdiend?
Ik mag alleen in stilte begeren, maar praten natuurlijk wel. Alleen;
waarover?
Bij mijn trouw aan de Ene hoort ook de veronachtzaming van de Anderen. Als er
een Heer is in de hemelen, dan lijkt 'ie op mij. Geen vrouw kunnen tegenkomen
of je proberen voor te stellen hoe ze haar gezicht vertrekt als ze klaarkomt,
geen meisje kunnen zien of de openingszin - "Wees jij nu eens aardig voor
een vieze oude man!" - galmt door jouw hitsige pan.
Vroeger was ik te verlegen, nu ben ik te dik en morgen té pathetisch;
mijn hele leven een voorbeeld van verkeerde timing als 't gaat om het zwakke
geslacht. En dat is geen toeval. Was ik van nature gevallen voor de Heren dan
bezorgden zÀ1_Àj
mij de slappe knieën Nu zijn 't de heksen die, vermomd als lieverdje, mij
gevangen houden met hun witte magie. Weerloos tegen hun glimlach, bereid een
koninkrijk op te geven voor één kus, ga ik mijn eenzame weg,
verslingerd aan m'ntoekomstige bruid maar glurend naar de bruidsmeisjes, iedere
morgen wakker wordend in blijde verwachting van de duizend en één
huwelijksnachten zoals beschreven in het evangelie van Theo, "De praatjes
die geen gaatjes vullen", helaas.
Vijftien Oktober is de eerste nacht dat zij zich aan mij bekennen zal met alle
attributen waarmee de soort sinds Eva is gezegend. Ik zal haar meer dan ooit
begeren en haar niet ontmaagden, nooit, want alleen zo blijft het mooiste
tussen man en vrouw intact; het Verlangen.

|