 |
Vanmiddag liet iemand, een heer, een
Viagra-pil op tafel achter, en nu staar ik het blauwe monster aan. Ik haast mij
om te zeggen dat er niets mis is met mij als ik van-dattum doe (stel je voor),
maar ja, als ik de gulle gever mag geloven ga je met Viagra door het geluid en
woont het vrouwtje helemaal uit.
Zou dat zo zijn?
"Deze is honderd milligram. Als ik jou was zou ik 'm doormidden snijden
voor de eerste keer, 50 milligram is genoeg, je blijft maar gaan!"
Men pompt zijn doos aan gort, maar wil ik dat eigenlijk wel?
Ik geloof in kleine overwinningen, één keer is zat, toch dames?
Het grote Halléluja!-gevoel is mij nooit zo deelachtig geworden, een
kwestie van gebrek aan eigenwaarde misschien, en ik kan me ook niet voorstellen
dat iemand zich een matador voelt in bed, want tussen al die zuchten en
kermpjes, in tranen gefluisterde bekentenissen en vooral ook gefakete
intimiteit, is de eigen mannelijkheid toch vooral een knots van
bespottelijk-zijn.
Ik heb wel 'ns een stand-up-comedian gehoord die zei 's morgens wakker te
worden met blauwe plekken over z'n hele lijf van het slapen op de snikkel, maar
gek genoeg heb ik zulks zelf nooit mogen meemaken. Waarom mis ik altijd de
mooiste dingen des levens?
Mij is altijd ingepeperd "Op een dag vind je de ware",
máár tot op heden is zij niet aan mij verschenen, of moet ik
zeggen, is zij mij vermoedelijk niet opgevallen, wat in de praktijk hetzelfde
is. Wat moet 't heerlijk zijn om aan iemand te denken en een erectie te
krijgen, haar stem te horen en voor paal te gaan, je ogen dicht te doen en haar
billen voor je zien, waarna, jawel, de verheven gedachte zich materialiseert.
Niets van dat al, bij mij jeukt schraalhans, uitgeblust begluur ik de meisjes
van de M.M.S. om de hoek, ik ben een pathetische oude man die kwijlt om
zestienjarigen. Aan een relatie werken, een stukje vertrouwdheid opbouwen, iets
voor een ander willen betekenen, ik sta erbij en kijk ernaar en hoor m'n eigen
vertrouwingwekkende gelul aan, alsof ik mijzelf als partner al
drieënveertig jaar ken.
De hel is minder voorspelbaar. Jarenlang heb ik - niet tot mijn ongenoegen -
iedere Maandagavond mijn bed gedeeld met Hermine Landvreugd. Aan het hoofdeinde
was den prikklok gemonteerd en hoewel ik na het heug'lijk ontwaken niet wist
hoe snel ik onder de douche verdwijnen moest en m'n tanden poetsen, was ik niet
zo afkerig of ik wees Mevrouw nog even op haar ponskaart; ping!
Zij beschouwde dit als de ultieme belediging, geloof ik, en ze moest er al
zoveel verdragen, nietwaar?; misselijke grappen met Ku Klux Klan-kostuums
waarop achter "Wasserij de Winter wast witter" stond ("Wil jij
aan mijn arm naar het boekenbal?"),'negerette' genoemd ook...en toch was
daar, ik beken 't maar, ook dat ene moment van overgave, ahum, van de illusie
dat onze gevoelens niet gespeeld waren, maar tenminste doorvoelt. Onzin
natuurlijk, wat ook wel bleek toen ze me uiteindelijk belde met: "Jij bent
een kind van de duivel, jij hebt een zwarte ziel en ík geloof in de
Heere Jezus!"
Groot gelijk, meid.
De vraag is of er ooit iets verandert. Te vrezen valt van niet, maar ik doe
vlijtig m'n best om mezelf van het tegendeel te overtuigen. Laatst e-mailde een
meisje van vijfentwintig naar deze site met de mededeling dat ze 'dik' werd
genoemd omdat ze 150 kilo was, en ook ik dacht: 'Wat zijn de mensen toch
bevooroordeeld.'
Enfin, teruggemaild: 'Mag ik troost vinden in jouw armen', maar nakko, nada,
lauw loenen, niks meer gehoord.
Dadelijk komt m'n vaste Maandagavond-geneugte (63 kilo) en zal ik aan mijn
verplichtingen als man voldoen; grijnzend staart de Viagra-pil (100 milligram)
mij aan. Ik zal m'n ogen sluiten en me voorstellen hoe een plumpudding van 150
kilo mij onderwerpt. Bevend de hand aan mezelf, op jacht naar de eenzaamste
geneugte.
Wie-o-wie kan mij vertellen wat dat is, 'een echte man'?

|