 |
Laatst wijdde Martin Bril zijn dagelijkse
stukje in Het Parool aan ondergetekende. Hij verplaatste zich in de troebelen
van mijn publieke persoon en liet me verzuchten dat mijn imago tegen fleurt: "Het
roer moet om." Het gekke is, ik kan me niks saaiers voorstellen dan
getob over een reputatie en hoewel Bril deed of 'ie me citeerde, kwam alles
geheel uit z'n eigen duim. Dat is het volste recht van een columnist en
bovendien hadden we heel genoeg'lijk koffie gedronken. Bril had in mijn mond
gelegd wat hìj dacht dat goed voor me zou zijn. De wens werd vader van
een gedachte. Theodor Holman zei 't zo: "Bril kan fantastisch
schrijven. Hij kan scherp kijken. Hij luistert slecht." Met die
uitspraak in m'n achterhoofd las ik Bril's laatste boek, "het
tekort."
Het boek bevat reportages, jeugdherinneringen, ontmoetingen met beroemde
schrijvers, een afscheid van Rob Scholte, mijmeringen al dan niet op de doos bij
een hoer, een liefdesverklaring aan zijn vrouw en nog veel meer. Ik denk dat
Holman 't juist heeft inzake Bril's gave en onkunde, maar tegelijk geldt ook in
dit geval dat een goeie schrijver de waarheid liegt. 't Maakt me niet zoveel uit
of gebeurde wat gebeurde toen Scholte uit het leven van de auteur reed en wat
heb ik eraan om me af te vragen of Bril inderdaad de schrijver James Ellroy
gesproken heeft; 't lijkt van wel, maar waarschijnlijk niet en toch krijg je bij
Bril's ontleding van Ellroy's drijfveren het gevoel: "Zo ìs die
meneer."
Bril ploetert om heus aan het leven te lijden, zoals 't een beetje schrijver
betaamt, en tegelijkertijd proef je zijn plezier in het formuleren, in het
dartele van zijn pen. Bril op z'n best is een adembenemende poseur, die
melancholie voorwendt en voor het overige schamper doet over de ziektes van de
ziel. Hij snuift geen coke meer. Hij gaat niet meer ter hoere, drinkt niet
meer; het wilde leven is aan hem voorbijgewapperd. Tot ons spreekt een
gelouterde. Bij Bril's stukken krijg je het gevoel dat 'ie geen
vooropgezette meningen heeft, dat pas het schrijven hem tot een oordeel
uitdaagt. Des te spannender. Ik weet niet wie de rubriek Piano &
Gitaar van onderwerpen voorziet en wie 'm schrijft, de stilistische brekebeen
Dirk van Weelden of de bijna-denker Martin Bril, maar persoonlijk heb ik, als
fan van de laatste in die samenwerking minder aardigheid, dan wanneer de
melancholicus z'n eigen klokje laat luiden. Bril op z'n mooist is een
paginalange beschrijving van de echtste sigaret die hij van z'n leven rookte,
als vierjarige: 'Mijn eerste sigaret was een sigaret die alleen kon branden bij
temperaturen onder nul en hoe harder het vroor, hoe beter. De sigaret was een
potlood waar ik een vloeitje omheen had gedraaid." Bril lezen is
aangenaam bevangen raken door de motregen in de ziel van een druiloor. Of 'ie nu
huilt om het afscheid van Elvis of van puur verdriet in de armen van een
call-girl, je leeft met hem mee en krijgt het gevoel dat ie z'n sores met het
opschrijven ervan keurig aanharkt op een woonerf in Almere. Ginds de grote stad
met al z'n verlokkingen, hier de bedompte weemoed van een boterham met
tevredenheid, vrijwillig door de strot te douwen, tot kokhalzens toe. Niet voor
niks imiteert Bril tijdens zijn monologues interieures de korte zinnetjes van
Nescio. Zijn stijl fonkelt, zijn wereld is grijs, hij noemt z'n vrouw vol
respect 'een tikkende klok', maar laat niet na je als lezer ook de contouren van
Haar als tikkende tijdbom mee te geven. Hij is de ambivalentie zelve en dat is,
geloof ik, waarom ik hem het liefste lees.

|