 |
Nee, ik ben niet weer verliefd zoals sommigen van
U verleden zomer tot vervelens toe op deze web-site konden lezen. 't Is meer
dat een zekere weemoed over mij is gekomen. Alweer een zomer gevuld met regen.
Alweer een zomer die in het teken staat van het Nederlands elftal. Alweer onder
de indruk van de onloochenbaarheid der dingen. 't Gaat zoals 't gaat.
Deze week moet ik een prevelementje houden op het Rijnlands Lyceum te
Wassenaar. Er zijn van die uitnodigingen waar je achteloos 'Ja' tegen zegt en
je op dat moment al beseft hoe onverstandig zulks is. Ik ben opgegroeid in
Wassenaar in gelukkige omstandigheden, naar ik vermoed niet geïnfecteerd
door de bacil der decadentie. Dat te zeggen in Wassenaar, waar de aardappel
gold als 'de oester van het volk', een gelukkige jeugd mogelijk is, zal tot
veel fronsen aanleiding geven. Kan dat? Mag dat?
In Wassenaar heb ik me altijd een buitenstaander gevoeld. Ik hoorde niet bij de
kakkers - te lang haar, te grote bek over de VVD -, ik hoorde niet bij de zonen
van de kleine middenstand, ik deelde mijn gelukkigste jaren met een klein
groepje meisjes en jongens dat maar niet wilde deugen, zitten bleef, hasj
rookte, LSD slikte, dronken werd en in het geheel geen sjoege had van
carrière of geld verdienen.
In Wassenaar reed een jongen die ik van afstand bewonderde, Marco Lammers, zich
dood tegen een boom op de Groot-Haesebroekse laan, in een Alfa,. Zijn autoradio
speelde nog. Bij leven rookte hij twee pakjes Marlboro per dag en voetbalde zo
goed dat Ajax hem vroeg voor een proefwedstrijd. Hij was een groot talent en
speelt in de hemel nu Pietje Keizer tussen de benen. Het verzoek van Ajax wees
'ie af; geen zin.
Is dat Wassenaars?
Vermoedelijk wel.
Nog altijd wanneer ik in Wassenaar kom, om m'n ouders op te zoeken of op
doortocht naar Den Haag, bekruipt me iets van opluchting; hier hoef ik nooit
meer te verkeren. En tegelijkertijd is Amsterdam minstens zo verschrikkelijk,
een stad waar ik tot op m'n ouwe dag niet thuis zal zijn. Wassenaar is een dorp
dat hooghartig haar schouders ophaalt voor wie afwijkt van de norm, Amsterdam
hààt - in weerwil van z'n naam als 'tolerant', 'barmhartig' en zo
- alles wat tegenspreekt. Amsterdam is onverdraagzamer dan Wassenaar, zoals
Links altijd intoleranter is dan Rechts.
Ik kan zijn wie ik ben in de hoofdstad omdat ik er net zo word uitgelachen als
toen ik nog woonde waar ik vandaan kom. Er is niet veel verschil tussen afkeer
hier of daar. Er is hooguit een andere verpakking; van bekakt tot jofel
progressief. Als ik in Wassenaar terugkom huilt m'n hart soms om de mensen die
ik heb
gekend, zoals het meisje dat de dochter was van de kinderpsychiater die
Sinterklaas speelde op school en die zich, negentien jaar oud, op yijf december
voor de trein wierp. Maar ik neem aan dat zulks overal hetzelfde is, dat waar
je ook vandaan komt de herinneringen en de pijn om voorbij, voorbij, voorgoed
voorbij in principe hetzelfde zijn.
Dit alles moet ik fatsoenlijk verwoorden en ik huiver van de ongemakkelijkheid.
Want waarom komt uitgerekend mijn persoontje terug naar de kakkers om ze uit te
leggen waarom kakkers kakkers zijn en afwijkenden een gelukkige jeugd
bezorgen?
't Is pathetisch...
|