{short description of image}


Marc-Marie




't Overkwam me, en ik weet nog steeds niet waarom; ik moest denken aan Guus Vleugel. Voor de jongere lezers zal ik even uitleggen wie dat was. Vleugel schreef tijdens de jaren '60 enige teksten waaraan in het Godsvrezend deel der natie aanstoot werd genomen. Zo schreef 'ie een liefdesliedje voor zijn moeder onder de titel "Arme Ouwe" dat in naam over de toenmalige Hare Majesteit ging.
Wie goed las zag een zeker mededogen in de beschrijving van dat loensende wezen dat bloemen in handen kreeg gedrukt bij een of ander stoomgemaal, en bepaald niet het Republikeinse strijdlied dat politie en boven-ons-gestelden ervan maakten.
Met die betrekkelijk wilde tijd van cabaretgroep Lurelei ging ook het schrijverschap van Vleugel voorbij, die steeds onleesbaarder stukjes voor HP/de Tijd ging schrijven en zich in vraaggesprekken beklaagde over Jasperina de Jong, de zangeres die zijn liedjes glans en roem gaf. Zelden zag ik iemand zo nadrukkelijk bij leven al overlijden. Toen ik nog een keer naar heropvoering van een door Vleugel in 1967 geschreven musical ging, stond de auteur op de trappen van de stadsschouwburg op luide toon uit te leggen hoe grensverleggend zijn geval was.
Ik merkte bedeesd op hoe braaf alles op mij was overgekomen, hoe onderdanig het gebruik van woorden als 'pik' en 'condoom' mij voorkwam als die bedoeld waren om de toeschouwer te shockeren.
Toen ik op een verloren Kerstavond ook nog met Ton Vorstenbosch, Vleugels' levenspartner, in een bed belandde na Guusje in de regen te hebben achtergelaten, en Guus' Haagse freule later de moeite nam om boven een onderhoud met Het Parool te laten zetten "Ik sliep met Theo van Gogh", mocht ik in het vervolg vele woedende regels gewijd aan mijn persoontje van de hand van de verlatene tegemoet zien.
Vleugel verweet mij 'Mavo-niveau', 'racisme' en deed moeite om een foto van mij te bemachtigen waarin ik met een speen in de mond voor het vogeltje poseerde. Ach gut, volgens mij was 't een lieve, zoekende man, en één keer per jaar liet ik weten: "Guusje is al twintig jaar geleden overleden, maar iemand is 't vergeten hem te vertellen."
Tandenknarsen werd mijn deel toen ik hem 'ns uit het café citeerde: "Zouden die mensen mij herkennen?"
En toen 'ie inderdaad dood ging dacht ik oprecht dat zulks al een jaar of wat het geval was. Wie ben ik om te oordelen over het dovend 'kunstenaarsschap' van iemand die z'n te lange leven lang aan de voet van de Zangberg tevergeefs tegen de eerste helling opsjokte?
Dit alles schoot me te binnen toen ik de eerste talkshow zag van Marc-Marie Huybrechts, het nieuwe wonderkind van de Nederlandse televisie. Zelden ging iemand harder onderuit dan Marc-Marie, die de geestigste opmerking van de avond van Jan Marijnissen moest incasseren: "Jij moet spelen, ik niet..."
Werkelijk geen vraag van de presentator duidde op enige interesse in de ondervraagde. Marc-Marie stond er voor zichzelf, maar ook dat werd niet leuk. Ik begreep 't niet, want in Toomlers is ie wel geestig; waarom veranderen mensen toch zo als er een camera aan te pas komt?
Waarom is er nooit iemand bij TV die zegt 'Marc-Marie, live-TV is niet zomaar een kwestie van aanwezig zijn.., live-TV vraagt om iemand die zichzelf op de hak neemt en het medium daarbij; nìet natuurlijk om iemand die meer wil van hetzelfde...'
De page maakte een overlijdende indruk, want had 't niet alleen bijzonder met zichzelf getroffen maar leek zich ook van de prins geen kwaad. Daardoor werd de uitzending een belediging voor z'n intelligentie. Ik bank erop dat Huybrechts volgende week wraak neemt op zichzelf. Anders mogen wij alweer een lijk bijschrijven.

Zie ook: Marc-Marie 2



Theo van Gogh


Inhoud | Recreatie | U Schreef| Archief | Service
Slijmen of
Schelden?
Schrijf Terug!