Onder pygmeeën
Laatst zat ik op TV naar de architectonische
vernieuwing te kijken die New York heeft mogen ondergaan dankzij de geiten
neukende medemens. Iemand vertelde me van een Nederlands meisje dat werkte in
de tweede van de Twin-towers toen het spektakel begon. Ze belde met haar ouders
in Amsterdam: "Kijk maar naar CNN, met mij is alles goed. Maak je geen
zorgen."
Toen kwam het tweede vliegtuig.
Je kunt 't niet bedenken.
In een Nederlandse film was zo'n parel van noodlottigheid door de verzamelde
filmpers zonder twijfel als 'onrealistisch' dan wel 'niet integer' afgewezen.
'Hoe saaier, hoe beter' is het motto bij de gemiddelde recensent.
Laatst liep de acteur Kees Prins weg bij een vertoning van de alom geprezen
film "Nynke". Kees was bang in slaap te vallen en had zich vooraf
iets anders voorgesteld na lezing van de unanieme jubel over het geval bij de
Nederlandse filmkritiek. Ik vind 't niet beleefd om weg te lopen bij een film,
hoewel er nooit alleen bezwaren zijn; tijdens het festival van Toronto
ontmoette ik eens een - naar later bleek - grote liefde, die na een kwartier al
buiten kwam uit "Een Dagje Naar Het Strand" omdat mijn meesterwerk
haar 'utterly boring' dunkte. Toch kan "Nynke" - een kabbelende
babbeling in het koeterwaals van de zich noemende 'Friese taal', recht in de
roos voor de vele dozen in de overgang die onze bioscopen vullen op jacht naar
een sprankje levensgeluk - toch kan "Nynke" bezwaarlijk een gelukte
film genoemd worden.
"Down" van Dick Maas kreeg een heel andere ontvangst van de dames en
heren recensenten; van die film werd werkelijk geen spaan heel gelaten. Is
"Nynke" inderdaad lichtjaren veel beter dan "Down"?
Natuurlijk niet.
Maar Maas is in de ogen van onze recensenten een autistische halve gare die
zijn kunstenaarsschap verraden heeft voor het platte geld terwijl Pieter
Verhoeff - schrijver en regisseur van "Nynke"'s mislukte scenario -
als 'integer' door het leven gaat. Verhoeff zat vroeger in subsidiecommissies
om het geld op integere wijze aan collega-filmers te onthouden. Hij is het
schoolvoorbeeld van een gesubsidieerde artiest. Ik mag hem graag, vooral als
'ie met z'n dronken kop in de tieten van de dames knijpt en ze achtenswaardig
oneerbare voorstellen in het oor fluistert.
Persoonlijk heb ik er altijd aardigheid in gehad deze of gene bespreker te
beledigen, ongeveer zoals een aambei geföhnd dient te worden. Zo heb ik
ooit de Rotterdamse Kunststichting aangeschreven voor een jaarlijkse subsidie
van fl. 5000, teneinde een beloning mee te geven aan de Ab Zagt-bokaal,
wisselbeker 'ter ere van de domste filmrecensie van het jaar'.
Ik voegde hier aan toe:"U kunt ervan verzekerd zijn dat het Algemeen
Dagblad vier van de vijf jaar de prijs zal winnen!"
Natuurlijk zond ik een afschriftje naar de redactie van het AD en sindsdien heb
ik van meneer Zagt geen gunstige bespreking meer voor één van
mijn films mogen ontvangen. En zo hoort 't ook; wat moet een filmmaker met een
positieve recensie van iemand die zo te lezen een imbeciele stoethaspel is?
Harry Hosman (destijds van de Volkskrant) voerde ik in een teaser op als een
meneer die een overleden Mevrouw wipte: "Mijn naam is Harry Hosman, ik ga
over lijken, U ook?"
Dat was lachen geblazen bij Harry's collega's.
Ook mag ik recensenten graag een briefje van honderd sturen met het verzoek
mijn
product 'op Uw bekende, onmachtige wijze' te bespreken; Japke D. Bouma, de
mislukte huppelkut die in NRC-Handelsblad stukjes over Media schrijft, wil ik
graag verrassen met mijn milde gaven. 't Is altijd een genoegen om te mogen
lezen over mijn slechte karakter en bedenkelijke inzichten en dat dan vooral op
die knarsetandende toon van 'Mij krijgt 'ie niet'.
Ik mag een zegen wezen voor velen.
De treurigste brekebeen van de ongelukkigen die hun leven om den brode in het
donker van de persvertoning moeten doorbrengen, is Mark Moorman van het
Amsterdamse sufferdje Het Parool. Als Chef Kunst draagt Mark een zware
verantwoordelijkheid die zichtbaar op hem drukt. Schrijven kan 'ie niet en
denken vermoedelijk evenmin, maar Moorman is zeker vlijtig. Hij vroeg mij ooit
een necrologie te leveren van de zojuist overleden Gerard Thoolen en dat wilde
ik wel, want die twee keer per jaar dat ik nog wel 'ns bedrukt wakker word,
denk ik altijd "Maar Gerard is dood!" en sta alsnog verkwikt op.
Champagne knalde en mijn vingers aaiden het toetsenbord.
Toen ik mijn stukje terug las, had iemand een - gezien mijn bespreking van
meneers aanwezigheid onder de mensen - onlogische bespiegeling toegevoegd:
"Ook kon Gerard je tranen in de ogen brengen van ontroering."
'Dat heb ìk niet geschreven!', meldde ik Moorman.
'Klopt', zei de Chef: 'Dat heb ik gedaan om je stukje iets minder onfatsoenlijk
te maken.'
Mark Moorman houdt erg van fatsoen. Toen mijn laatste film uitkwam meldde Het
Parool op de voorpagina al dat Theo van Gogh er weer niks van gebakken had,
want Mark heeft nu eenmaal moeite met een verhaallijn die tot opletten noopt.
Een kwestie van geestelijke luiheid. Naast zijn negatieve oordeel stond alweer
een foto van ondergetekende, alsof mijn persoontje werd gerecenseerd in plaats
van de film. 't Is ronduit beledigend om de afkeer van een regisseur zo
vreugdeloos opgeschreven te zien, alsof "Baby Blue" Moorman zijn al
even vreugdeloze snikkel in een puntenslijper had doen steken en daar nu op
benarde toon verslag van werd gedaan in een als recensie vermomde poging tot
onthalzing. Toch is mijn aanwezigheid in zulke gevallen van therapeutische
waarde; ik mag het mooiste bovenbrengen in het uitgebluste bestaan van Mark
Moorman.
Enfin, toen heb ik het telefoonnummer van m'n schuimbekkende recensent maar in
een advertentie op de voorpagina van Het Parool gezet, namens 'de Baby Blue
infolijn'.
Naar verluid vertrokken de Moormannetjes diezelfde avond nog naar Friesland,
want de heldhaftige "Baby Blue"-bedwinger kon de spanning van mijn
zeker ongepaste knipoog niet verdragen.
'En hij heeft 't al zo moeilijk met z'n psychopatische zoontje dat hun hele
gezin terroriseert', sprak iemand mij verwijtend aan: 'Mark schrijft nu eenmaal
met een hark, dat weet je toch? Doe toch niet zo flauw.'
Inderdaad; mocht deze geweldige chef Kunst bezwijken onder de zware last van
het vaderschap en zich op zolder verhangen bij de gesloten redactie van het
failliete Parool, dan beloof ik hier en nu plechtig de eerste te zullen zijn om
mijn deelneming te betuigen en aan dit vergeefse leven een opbouwende
bespreking te wijden.
Wie mijn films bijna altijd de grond inschrijft is Peter van Bueren, vooral als
't gaat om de erotische uitstraling van de actrices die ik vraag. Peter houdt
nu eenmaal van hardere porno en trekt rukkend als een delicate muurbloem van
festival naar festival. Hem verwijt ik nooit iets, want vermoedelijk meent
meneer oprecht wat 'ie af laat drukken. En ik ben niet bestand tegen zijn
charme, tegen de ietwat schuchtere glimlach waarmee hij achteraf uitlegt waarom
't weer helemaal kut was wat uit mijn handen kwam.
En hoewel ik altijd probeer Herbert Curiël dronken te voeren en vervolgens
naar Peters hotelkamer te dirigeren, zijn er niet veel mensen met wie ik zo
gelachen heb als kapelaan Van Bueren. Peter de eeuwige student die al toen de
kwaadaardige domkop Bert Vuijsje nog op de Wibautstraat rondschuifelde, de haat
van het gepeupel verdragen moest dat - in Vuijsjes woorden - nu eenmaal 'geen
trek' heeft in 'de Bulgaarse kunstfilm.'
Teneinde de filmpagina van de Volkskrant zo saai mogelijk te maken - zulks heet
'vertrouwenwekkender voor de lezer' - is Ronald Ockhuyzen aangetrokken, een
krabbelaar van imponerende onbeduidendheid die Sonja Barend 'een vakvrouw'
noemt en die dan ook het gevoelsleven van een centuriontank koppelt aan de
diepe inzichten die men als luis van de reservebank nu eenmaal aan de wereld
kwijt moet.
Zo schrijft Ockhuyzen naar aanleiding van "Nynke" over 'de wet van
Hendrickx', die de naam van Verhoeffs hoofdrolspeelster draagt, teneinde alle
filmmakers in te peperen dat acteren niet zozeer met 'mimiek' of 'dictie' te
maken heeft, als wel met Mevrouws vermogen 'met één oogopslag',
aldus Ronald de Bewonderaar, 'een hele geschiedenis' te vertellen.
Bijzonder begrijpelijk en tegelijk zo diepzinnig, als je 't mij vraagt; wij
kunnen wel merken dat Ockhuyzen nog dagelijks de lat hoger weet te leggen, tot
heil van de lezer. Na een zo haarscherpe analyse ga ik geladen ter bioscope.
Toegeven moet worden dat Hendrickxs flaporen de hele film "Nynke"
lang voor de wind gaan en dat voor wie liefhebberij in flaporen heeft,
Mevrouw's aanwezigheid majesteitelijke allure brengt. Dat Mevrouw Van Hichtum
in 't echte leven het voorwerp van hitsigheid en poëtische inspiratie was
voor die dekselse Pieter Jelles wil ik best geloven, maar 't wordt me niet
aannemelijker gemaakt als de gulle minnaar - vertolkt door Jeroen Willems -
voornamelijk één donkere, onheilszwangere blik op het arme
vrouwtje werpt, ogen die noodklokken doen luiden
op de kleutercrèche en voornamelijk verleidelijk zijn voor de
endeldarmtoeristen onder ons. De geilheid spat voor de eenvoudige hetero bij
deze film niet van het doek, integendeel. Geen recensent die 't opgevallen
is.
Ik spreek trouwens geen Fries; hoe controleer je als bespreker of het acteren
'magnifiek' is zoals Ockhuyzen beweert, als je het dialect niet verstaat?
Of zouden àlle Nederlandse recensenten Fries spreken en verstaan?
Nu ja, Mevrouw Hendrikcx deed zeker haar best, maar dat is niet altijd genoeg,
helaas. Vergeleken bij Kim van Kooten, Marlies Heuer, Ariane Schlüter of
Marijke Veugelers verbleekt deze Moniek nogal, tenminste, naar mijn bescheiden
inzicht, dat even arbitrair is als dat van Ockhuyzen maar minder deftig
galmt.
Nederlandse filmrecensenten houden allemaal van de films van Johan van der
Keuken; ze houden ook allemaal van flaporen, als die maar niet geregisseerd
worden door Dick Maas. 't Is heel ontroerend om zoveel eenstemmigheid te horen,
duizend zielen/één gedachte als 't ware en je krijgt ook helemaal
niet het gevoel hier met een zootje elkaar na-kakelende oplichters te maken te
hebben. Integendeel: 't is eerder alsof de Nederlandse filmrecensenten als
Bambi-dreumessen achter elkaar door het donkere woud marcheren met de duim
omlaag ('Hé ho, hé ho, wij vinden Dickie Maas zo, zo...'), in
blijde verwachting van alweer een diep borende recensie.
Nu is alles natuurlijk een kwestie van smaak, maar als ik de films van Maas en
Verhoeff vergelijk na lezing van de recensies, krijg ik het ongemakkelijke
gevoel als bioscoopganger genaaid te worden. De Nederlandse kritiek is te dom
om een genrefilm als van Maas als genrefilm te beoordelen; de Nederlandse
filmkritiek hemelt liever saaie, karakterloze maar degelijk vervaardigde
plaatjesboeken als van Verhoeff op tot 'oogverblindend', 'magnifiek' en wat er
verder zoal in haar grabbelton van voor de vertoning al vastliggende meninkjes
te graaien ligt.
Ik mag de Heere danken nooit meer een film voor de vaderlandse bioscoop te
hoeven maken, want of ik nu kijk door het glazen oog van Jos van den Burg, de
troebele kijkers van broeder Moorman of de potsierlijke adelaarsblik van die op
vleugels van verbeelding voortwiekende Ockhuyzen, zeker is dat een film van
Theo van Gogh op de persoon van de maker en niet op de kwaliteit van het
gebodene beoordeeld zal worden. Dat iets waarin je ziel & zaligheid
gestoken hebt voor het publiek gemaakt of gebroken wordt door een stelletje
corrupte onderkruipers wie je normaal gesproken niet eens je schoenen zou laten
poetsen, is van een aanstootgevende treurnis. Denkend aan de Moormannetjes en
de Ockhuyzens is er maar één conclusie mogelijk; men krijgt spit
in zijn rug van het buigen voor de pygmeeën.
Theo van Gogh

Gut!
Enfin, mijn stukje mocht dus niet in de Dagkrant van de
Utrechtse Filmdagen, want Pieter Verhoeff en Mark Moorman moeten
blijkbaar beschermd worden. Ik toog naar het Festival vanwege de vertoning van
"De Nacht van Aalbers", een VARA-produktie die ik geregisseerd had,
gewapend met vijfhonderd kopieën van Wat Niet Gelezen Mocht Worden, die ik
legde op de leuningen van de stoelen in de bioscoop. Verhoeff ontstak
stantepede in woede: "Jij bent een miskend genie, een jaloers kind, jouw
"Baby Blue" is mislukt, je deugt niet, je bent de potloodventer van
de Nederlandse Cinema." Regisseur werd helemaal link toen ik hem wilde
feliciteren met het succes van "Nynke", dat tot op heden zo'n
vijftigduizend bezoekers trok: "Dan had je me eerder moeten
bellen!"
Zijn grootste bezwaar jegens mijn
persoontje: "Jij wilt alleen maar iedereen kwaad maken."
Daar werd ik wel verdrietig van, want ik ben nu eenmaal heel erg van het
harmoniemodel. Waarom moet ik toch zo onbegrepen door het leven?
Bij de première van "De Nacht van Aalbers" vroeg ik vooraf om
applaus 'als U 't een kutfilm vindt' en om 'oorverdovende stilte indien U het
geval apprecieert'.
't Laatste was het geval.
Kim van Kooten, die later binnen was gekomen en dus mijn prevelement
vooraf niet had gehoord, begreep er niets van toen ze in doodse stilte naar het
podium liep.
Jean van der Velde, intendant, had geen tijd om te komen kijken, 'want
ik heb met jou liever niets te maken.'
En datzelfde gold voor Pieter Jan Bruggen, producent te Amerika, die
mijn stukje had gelezen en meende: "Slecht geschreven. Je gebruikt teveel
dure woorden."
Matthijs van Heijningen vermaakte zich kostelijk met het geschrevene:
"Jij hebt je naam nu definitief verpest..."
Mocht zulks eens waar wezen.
Jos Stelling: "Moet jij geen recensies gaan schrijven?"
Enfin, 't was geweldig om de razernij van al die deftige mensen om me heen te
mogen zien, en vooral ook, de opluchting te ondergaan geen buiging voor het
gepeupel te hoeven maken.
Pieter Verhoeff: "Toen de staf van de Dagkrant gelezen had wat
voor vuil jij in petto hebt, zeiden ze: 'Over my dead body'. Ik wist van niks.
Overigens heb je volkomen gelijk in wat je schrijft over Ockhuyzen. Ik
vond dat ook niet kunnen."
Michiel Berkel, Directeur van het Festival, had geen tijd om een handje
te komen geven, en dat komt omdat ik hem doorgaans 'oplichter' noem.
Frans Afman voelde zich enigszins opgelaten: "Ik heb gezegd wat ik
meende te moeten zeggen tijdens mijn openingstoespraak van het Festival. Ik
meen inderdaad dat wij solidair dienen te zijn met het Amerikaanse volk en dat
verder de feiten over de Taliban voor zich spreken."
Aan de vooravond van een wereldoorlog met de geitenneukers zijn er belangrijker
zaken om zich druk over te maken dan over die kwebbelaars in Utrecht. Mark
Moorman is gelukkig ook weer erg kwaad, mag ik vernemen, puistjesprins
Alex van Warmerdam evenzeer - (Jos Stelling: "Als ik
Alex zie begint 'ie eerst een kwartier op jou te schelden") - en
humorist Michiel Romeyn riep deze week op straat tegen me dat ik NSB'er
ben, alweer vanwege Het Stukje.
Dit alles stemt bijzonder dankbaar. Als iets me kwiek en fris houdt, is 't de
razernij van de dames en heren. En vort maar weer.
Theo van Gogh |