De Ritselaars, de Duivel en de
Aristocratentiet
'De duivel is je gunstig gestemd.'
'Ik denk eerder dat hij een korte vakantie viert'
'Dat denk ik niet: hij woont tijdelijk bij mij!' zei mijn beste vriend
'De duivel. De duivel? Laat hem niet gaan die duivel! Serveer hem je beste
drank, in het mooiste glas, ik kom eraan. Ik ben al onderweg.'
'Enchanté. Wees welkom nieuwe vriend,' zei de paaiende duivel toen hij
samen met mijn beste vriend de voordeur open deed.
Ik gaf de duivel meteen een rechtse hoek, recht op z'n kin. Direct viel hij
achterover, en voordat zijn cognacglas tegen de lege bar uiteen spatte, landde
hij, zonder schaduw, tegen de grond.
'Het spijt me dat dit in jouw huis moet gebeuren maar het moment vraagt nou
eenmaal om radicale maatregelen.'
'Maakt toch geen donder uit. Hoeveel stervelingen in de geschiedenis van de
mensheid hebben nou zo'n kans gehad. Een, twee? Ik schat hooguit drie. Laten we
het nou maar gewoon doen, het begint hier al warm te worden.'
De duivel werd in een dik tapijt gerold, en daarna in nog twee. De tapijten,
een nalatenschap van de steenrijke oma van mijn beste vriend, stonden al een
tijd verticaal in zijn elektriciteitskast te verstoffen. Toen zij haar
testament opmaakte vroeg zij nog aan haar beide kleinkinderen wie de zilveren
en gouden juwelen wilden hebben en wie meer interesse had in de kostbare
Chinese en Perzische tapijten. Aangezien mijn beste vriend niet de meest
makkelijke huid heeft en rode en paarse plekken in zijn nek krijgt als er zich
binnen een straal van twee meter van hem, gouden of zilveren voorwerpen
bevinden, had hij dus een duidelijke voorkeur voor de tapijten.
'Waar ligt je foliepapier,'vroeg ik, 'zijn staart brandt telkens door de
tapijten heen.'
De opgerolde tapijten met daartussen de bewusteloze duivel legden we op onze
schouders en zo droegen we hem de flat uit, de hoek om. We smeten het rokende
geheel in de achterbak van mijn auto en scheurde weg, richting het
Beatrixpark.
Onderweg naar het park maakten we een korte tussenstop. We parkeerden net naast
een bouwput. Twee juten zakken die we hadden meegenomen vulden we tot de
bovenste naad met vuurrode bakstenen.
We zagen dat het reservewiel totaal was gesmolten toen we de duivelse hotdog
uit de achterbak tilden. De autorit had blijkbaar niet veel langer moeten
duren.
We waren tot midden in het park gereden zodat we niet te veel en te ver met de
duivel en de vuurrode bakstenen hoefden te slepen. Nog nooit was zoiets gedaan
maar een onschuldig menselijk instinct, als dat van een pasgeboren baby op zoek
naar de moederborst, wees ons wat te doen. Met blaren op onze schouders
schuifelde we van de auto richting de eendenvijver.
'Bind jij de juten zakken vast aan ze voeten,'zei ik, 'ik zoek even een boom
op.'
Ik had mijn gulp net open toen ik aan het begin van het grindpad een bekende
figuur zag verschijnen. Het was rabbijn Loewis. Hij liet zijn twee poedels uit.
Nu was het, in orthodox-joodse kringen, 'not done' dat je je als geestelijk
leider van je geloof liet afleiden door zoiets als huisdieren, maar rabbijn
Loewis betrad dan ook vaker het eenzame pad van onheil; puur om zijn troebele
visie van politiek eigenbelang en zijn positie als spiritueel en geestelijk
voorganger veilig te stellen.
Het was een rabbijn die, spreekwoordelijk gezegd, verschillende keppels droeg,
een soort spirituele belangenverstrengeling. Zijn onderdanige volgelingen
begrepen dan ook weinig van door hem genomen besluiten maar zij stonden
jammerlijk machteloos aan de kant van het pad door een woud van onbegrijpelijke
regels.
Op hetzelfde moment dat de rabbijn langs de inmiddels gloeiende staart van de
duivel liep, kwam de duivel weer bij zinnen. En net voordat hij zijn wilde en
vurige hand kon uitsteken om mijn beste vriend er van langs te geven, gaf de
rabbijn de duivel een rotschop. De duivel rolde als een gloeiende bowlingbal de
helling af richting de voor hem zo funeste vijver. Sneller en sneller. Voor de
duivel was er geen houden meer aan. Hij wist het, hij rolde zijn einde
tegemoet.
Het moet een hobbeltje zijn geweest, want net voor de duivel van de wal in de
sloot rolde vond hij nog de kracht om met zijn staart een laatste duivelse daad
te verrichten. De duivelsstaart schramde op het laatste moment de kuit van
rabbijn Loewis, die op zijn beurt spontaan door z'n knieën zakte.
Blijkbaar kreeg de rabbijn een branderig gevoel in de buurt van zijn kruis want
hij begon als een wilde over zijn kruis te wrijven om daarna zijn zwarte broek
aan repen te scheuren. Eenmaal door alle stoflagen heen, waren wij getuige van
de laatste en waarschijnlijk meest misselijke duivelsdaad verricht door het
hellegebroed. Met verbazing keken we naar de rabbijn, die met een kapot
gescheurde broek op z'n enkels, met totale verbazing naar zijn eigen ontklede
kruis staarde. De duivel had er inderdaad voor gezorgd, de rabbijn had weer een
voorhuid.
Het brandalarm in het flatgebouw van mijn beste vriend is trouwens nog een
aantal weken op de meest vervelende tijden afgegaan. De deskundige heeft nooit
de bron van het kwaad weten te achterhalen.
Nadav Goldstoff
|