Waarde lezers! In de krant van 13 november
staat een toespraak van Folkert over de media. Tientallen mailtjes en
telefoontjes kreeg ik, allemaal van hetzelfde soort: "Hoe durft ie! De
hypocriet! Hij zegt niets nieuws, niets zinnigs, geen enkel mea culpa'. etc.
etc. In deze aflevering van mijn rubriek zal in Folkerts toespraak annoteren.
Alleen zo kunnen zijn leugens en hypocrisie worden blootgelegd: feit voor feit,
opmerking voor opmerking.
Mediagedrag politici roept om
debat
(We beginnen met de kop.
Misleidend en opportunistisch. De bal wordt immers geheel ten onrechte bij
anderen (politici) gelegd. Bovendien gaat alleen de tweede helft van de vijfde
kolom van het stuk over dit aspect. Het schoonvegen van het eigen straatje
begint dus al in de kop.)
Wie de televisiestudio gebruikt als politiek toneel, moet niet raar opkijken
als de functie van het parlement snel devalueert, meent Folkert Jensma.
Artsen begraven hun fouten op het kerkhof, journalisten zetten ze in de
krant.(Journalisten zetten sommige fouten in de
krant. Zeer ernstige zaken worden buiten de kolommen gehouden. Ingezonden
brieven die op grote blunders wijzen worden steevast geweigerd. Zie de brieven
van Frans Verhagen en Hans Vogel die ik op de site heb gezet. Voor het bedrog
in de zaak 'Ottolien' heeft De Volkskrant nimmer een fout erkend. En zo kunnen
we nog wel even doorgaan.)
En iedereen die wel eens in de krant de plank
missloeg heeft nog weken last van de miserabele nasmaak van falen in het
openbaar. Het is dan geen troost dat de krant mede bestemd is voor de kattenbak
en de televisie ook wel als schemerlamp dienst doet. Niemand vindt het erger om
een fout te maken. In het openbaar dan de journalist zelf.
Ik wil daarmee graag het beeld corrigeren van de vrijbuitende en lichtgeraakte
journalist die geen kritiek zou verdragen, zich liever arrogant achter de
vrijheid van meningsuiting verschuilt dan dat hij eerlijk voor z'n vergissingen
uitkomt. "Journalists don't have thin skins, they have N0 skins", zei
Edward R. Murrow ooit. (Een citaat van
adjunct-hoofdredacteur Gijsbert van Es, gedaan in de Journalist: 'NRC
Handelsblad maakt geen fouten'.)
De pers ligt nu echter onder vuur en dan springt
in het oog dat de journalistiek, net als de medische stand of de rechterlijke
macht trouwens, niet goed weet hoe ze met kritiek om moet gaan. (Dit is een juiste constatering. )
En dat probleem wordt dringender naarmate de rol van de journalisten ('de
media' ) in het openbare leven in belang toeneemt. Dat laatste schijnt het
geval te zijn als we de vloed aan rapporten, wetenschappelijke onderzoeken en
uitspraken van politici mogen geloven. (Elke
eindredacteur zou hier een dikke streep door halen. Neemt de rol volgens
Folkert nu wel of niet toe? Hij durft het niet te zeggen. Feit: we leven in een
mediacratie. De media zelf zijn belangrijker geworden dan wat er in concreto in
de samenleving gebeurt. Anders gesteld: de media bepalen wat er in de
samenleving gebeurt doordat actoren er bij hun gedragingen reeds bij voorbaat
rekening mee houden dat de media daarover gaan berichten en de aard en inhoud
van hun gedragingen daarop afstemmen. De standaardcasus is hier de politicus
die alleen over die onderwerpen kamervragen stelt, waarmee hij reeds tevoren
weet dat hij de pers zal halen.)
Ik vat hier in een paar steekwoorden de bruikbare analyse van de Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkelingen (RMO) samen waarin 'de media' vooral wordt
verweten door een tamelijk perverse eigen logica het publieke debat (en daarmee
de democratie) te beperken in plaats van te bevorderen. Die zogeheten
medialogica komt voort uit concurrentie en daarmee gepaard gaande haast, maar
wordt versterkt door een zeer beperkt repertoire (nogal gemakzuchtige)
journalistieke technieken. Journalisten zien een gebeurtenis vooral als
'nieuwswaardig' als het om een makkelijk te verbeelden conflict gaat, dat
dichtbij de belangstelling van burgers ligt, liefst gebracht in de vorm van een
onderhoudende wedren tussen herkenbare personen. Ook het 'cynische spel om de
macht is een veel gebruikt verhaalschema, samengebald in het tenenkrommende
cliché: 'gaan er koppen rollen?' Voor veel burgers is het onderscheid
tussen 'de media' en het openbare bestuur vervaagd, doordat veel politiek
tegenwoordig live op televisie wordt bedreven in nauwe samenspraak met
mediapersonen.
Als treffende illustratie van deze ontwikkeling noem ik het verwijt na de moord
op Fortuyn aan het adres van 'de media' en 'de politiek' dat deze geen contact
meer zouden hebben met 'het volk', getuige de grote stembuswinst voor de LPF.
Veel hoofdredacties werden bestookt met de moeilijk beantwoordbare vraag waarom
ze 'het' niet eerder hadden 'gezien'. Daarmee leek dan vooral te worden gedoeld
op de sociale ontevredenheid waaraan Fortuyn kortstondig gezicht had
gegeven.
Dat de kranten letterlijk vol hadden gestaan (en bleven staan) met reportages
over falend onderwijs, arme buurten, wachtlijsten, gebrekkige integratie,
multiculturele criminaliteit en ander ongerief, was geen afdoende antwoord.
(Hier mist Folkert totaal de pointe door gebrek
aan intelligentie. Het gaat er namelijk helemaal niet om of de kranten deze
problemen en de onvrede onder het volk al dan niet hebben geconstateerd en een
reportage hebben gemaakt over een wachtlijst. Waar het om gaat is, of de
kranten hebben gezien dat de gevestigde politieke orde, de grote partijen dus,
deze signalen stelselmatig negeerden en dat er bijgevolg een enorme
vertrouwensbreuk ontstond met het electoraat. Het ging om verkiezingen, weet je
nog wel, Folkert? Dat hebben de kranten dus niet gezien. Integendeel, naarmate
de verkiezingen naderden ging de pers Fortuyn meer demoniseren om de gevestigde
orde te hulp te komen. Dit culmineerde in het fameuze commentaar van Folkert
een dag voor de verkiezingen waarin hij een direct verband legde tussen Fortuyn
en nazi-Duitsland.) Kennelijk was het beeld van
het zelfgenoegzaam keuvelende politiek-journalistieke toneel zo dominant dat de
gewone vakjournalistiek geen effect meer sorteerde. Aangezien 'de politiek' had
gefaald, gold hetzelfde 'de media'.
Bij de redactie van NRC Handelsblad werd na enig intern onderzoek vastgesteld
(Folkert doelt hier vermoedelijk op het onderzoek
dat na de moord op Fortuyn door Mark Kranenburg werd aangekondigd, anderhalf
jaar geleden dus. Nimmer hebben we iets mogen vernemen over de wijze waarop dit
onderzoek is uitgevoerd. Nu slingert Folkert opeens enkele 'resultaten' de
wereld in. Dit alles geeft aan met hoeveel tegenzin de krant zo'n onderzoek
doet (als het al is gedaan) en hoe weinig de krant daadwerkelijk bereid is tot
openheid naar de lezer. NRC doet hetzelfde als politici in de problemen: met
veel tamtam wordt een onderzoek aangekondigd waar je later niets of nauwelijks
iets meer van hoort. Hiermee toont NRC eens te meer aan hoe gouvernementeel de
krant is.) dat de krant te lang in de taxatie van
Fortuyn als 'politiek lichtgewicht was blijven steken en de politieke betekenis
van diens rol als charismatische outsider (Hoezo
'outsider'? Wat een mis woordgebruik! Op een gegeven moment leidde hij alle
peilingen! De LPF was net zo'n volwaardige deelnemer aan het democratisch
proces als alle andere partijen. Vermoedelijk bedoelt Folkert met 'outsider':
niet behorend tot het politieke establishment. ) en sociale katalysator nogal had onderschat. Er was
bijvoorbeeld op de redactie aanvankelijk aanmerkelijke reserve om Fortuyn breed
te portretteren of zelfs maar te interviewen. De sociale en politieke onvrede
in de samenleving waren wel bekend en ook voldoende in de krant beschreven,
maar de heftigheid en het inslagpunt (Fortuyn) waren toch een verrassing.
Daarnaast was ook sprake van vooringenomenheid jegens hem - sommige redacteuren
vonden Fortuyn te veel een kwibus en te weinig een volksvertegenwoordiger.
Achteraf is mijn conclusie dat eerder sprake is geweest van het af en toe
ridiculiseren van Fortuyn dan van 'demoniseren'. (Als je het ridiculiseren noemt om iemand in direct verband te
brengen met nazi-Duitsland heeft Folkert gelijk. Toch nog maar even citeren wat
Folkert zelf over Pim schreef: 'Het is de trots van Nederland dat we hier juist
niet de ene cultuur beter vinden dan de andere. Dat we hier mensen gelijk
behandelen in een open samenleving. Dat we ons hier de xenofoben en racisten
van het lijf wensen te houden. Het is een grote schande dat we zestig jaar na
dato een politicus in ons midden hieraan moeten herinneren'.
Overigens heeft Folkert zijn 'ridiculiserende' hoofdartikel op laffe wijze
verwijderd uit de NRC-databestanden. De enige die zo langzamerhand
geridiculiseerd wordt is Folkert zelf.)
Er was overigens ook nog andere mediakritiek, die
veel minder beklijfde, vermoedelijk door het rumoer na de dramatische moord op
Fortuyn. Televisie en kranten zouden juist door buitensporig veel en vooral
onkritische aandacht voor Fortuyn diens belang hebben overdreven en zijn
opkomst mede hebben mogelijk gemaakt.
In deze opvatting is Fortuyn zélf een media-effect - vergelijkbaar met
de massale stille tochten na incidenten van 'zinloos geweld' die brede media
aandacht trokken. Nu Was er dan voor het eerst een soort stille tocht naar de
stembus te zien, mee afgeroepen door media-overbelichting en gesteund door de
omslag in de journalistieke waardering van de paarse kabinetten. Hier was de
conclusie dat 'de media' zo'n fenomenaal effect met iemand anders makkelijk
kunnen herhalen. Het electoraat is immers op drift. In 2002 wisselden 46 zetels
in de Tweede Kamer van kleur, een naoorlogs record.
Is er nu reden om de journalistiek scherper te controleren?
De journalist van vandaag werkt voor een doorgaans volledig ontzuild medium,
(Steeds weer wordt er nadruk gelegd op de
'ontzuiling' van de media. Alsof dat er ook maar iets mee te maken heeft!
Folkert, schreef jij jouw 'ridiculiserende' zinnen over Pim omdat NRC is
'ontzuild'? Of gewoon omdat je in de greep verkeert van de gevestigde orde en
ook je eigen macht door Fortuyn bedreigd zag? ) dat
onderhevig is aan de krachten van de vrije markt vóór
lezers/kijkers en advertenties, in een professionele (platte)organisatie waar
vooral journalistieke normen leidend zijn. De lezers of kijkers oefenen een
zekere kwaliteitscontrole uit door met hun voeten te stemmen, (Orakeltaal van Folkert. Ik interpreteer deze passage aldus:
steeds meer lezers zeggen hun abonnement op NRC op omdat ze de krant kloten
vinden. Logisch dat Folkert dit niet met zoveel woorden durft te zeggen. Het
illustreert slechts de intrinsieke onmogelijkheid van media om serieus om te
gaan met feiten en kritiek die resulteert in wollig en verhullend taalgebruik
waarmee de hele speech van Folkert vol staat.) wat
ze met toenemende frequentie doen. De hoofdredacties van kranten gebruiken
gedragscodes en stijlboeken om redacties te disciplineren. (Absolute bullshit. Geen redacteur die op de redactie ooit in
de gedragscode kijkt. Een schande dat Folkert dit durft te zeggen. Bovendien:
het gaat niet om codes en boeken, maar om wat je doet. Je ziet het vaker in de
samenleving: de enige functie van dit soort codes en boeken is dat je kunt
zeggen: we doen toch wat? Daarmee hoef je niet meer in te gaan op wat je
feitelijk doet, je verwijst gewoon steeds naar die codes. De standaardcasus:
het bedrijf dat een dikke code opstelt over maatschappelijk verantwoord
ondermenen (zoals Ahold) maar wel gebruik maat van kinderarbeid.) Er zijn lezersrubrieken, waarin brieven worden opgenomen,
columns, antwoordrubrieken, telefonische spreekuren of discussiesites met
hoofdredacties. Er zijn ook lezersredacteuren, ombudslieden (Hoe Freudiaans, dat 'ombudslieden'! Omdat NRC er zelf geen
heeft neemt Folkert het hele fenomeen niet serieus en gebruikt wat we in de
taalkunde noemen een 'peiorativum!' Zoek maar op,
Folkert, wat dat betekent!) of 'krantenrecensenten' die de mediakritiek in de krant zelf
beoefenen, in wisselende mate van onafhankelijkheid. (Wie vind Folkert wel en wie niet onafhankelijk? Opnieuw durft
hij zich niet uit te spreken. Hij verstout zich zelfs niet eens zijn eigen
'krantenrecensent' Piet Hagen onafhankelijk te noemen!) De rechter of de Raad voor de Journalistiek zijn de instanties
van laatste toevlucht. (Deze horen in een
beschouwing over kranten (media) niet thuis omdat het externe instituties zijn.
Relevant is slechts wat de media zelf doen aan het afleggen van verantwoording
en het opleggen van sancties aan falende c.q. corrupte redacteuren. Volg
Folkerts redeneertrant en je zegt: allochtone probleemjongeren? We hebben
altijd nog de rechter als instantie van laatste toevlucht! Folkert laat zien
dat hij de essentie van de functie van rechtspraak in onze samenleving niet
begrijpt. Hij denkt namelijk (en velen met hem, vooral politici) dat rechters
maatschappelijke problemen kunnen oplossen door (streng) te straffen. Dat is
natuurlijk niet zo.)
Voorlopig lijkt mij dit toereikend. Er is nog
voldoende ruimte voor verbetering en verfijning: tussen de Raad voor de
Journalistiek en de rechter in kort geding gaapt een gat, waar bijvoorbeeld
verplichte bemiddeling in de vorm van een geschillencommissie uitkomst zou
kunnen bieden. (Folkert raakt hier het spoor
volledig bijster. Het is een reflex van de slechtste (politieke) soort:
creëer als je het niet meer weet nieuwe bureaucratische instituties of
commissies. Wie gaan in die geschillencommissie zitten? Ed van Thijn, Winnie
Sorgdrager, prof. Warna Oosterbaan?) Maar in grote
lijnen zijn alle wapens voorhanden. Er is een heldere beroepsethiek: de
stijlboeken en gedragscodes van dagbladtitels lijken sterk op elkaar. De
transparantie bij gedrukte media wordt langzaam groter. Redacties zien dat
interne controle door een buitenstaander, zoals bij NRC Handelsblad, nu al een
jaartje vrijwillig plaatsvindt in de rubriek Krant Achteraf, z'n nut kan
afwerpen. ('Nut afwerpen': dat Folkert geen
stilist is, soit. Interessanter is het mysterieuze 'vrijwillig'. Welke
verborgen suggestie ligt hierin besloten? Dat de meeste controleurs van de
media dat onder dwang doen, maar bij NRC niet? Of dat NRC uit vrije wil heeft
besloten Piet Hagen binnen te halen als 'criticus', uiteraard na zich eerst te
hebben verzekerd van zijn slaafse, laffe en volgzame inborst? Ik vermoed dit
laatste, maar als dat zo is, waarom moet dat dan expliciet worden benadrukt?
Wellicht omdat sommigen zouden kunnen denken dat NRC Piet heeft binnengehaald
onder druk van bijvoorbeeld woedende lezers die 'met de voeten gingen stemmen?'
Folkert, kerel, zeg nu eens gewoon wat je bedoelt!
En dan: dat 'afwerpen van het nut'. Welk nut? Geef dan eens aan, Folkert, wat
dat nut dan precies is. Volgens mij berokkent Piet de krant juist extra veel
schade door aantoonbare leugens te verspreiden, zoals bijvoorbeeld over de
'Irakese visumkwestie' en door niet in te gaan op wezenlijke dingen zoals het
manipuleren van de enquête naar de Europese grondwet en het ontslag van
Marjon van Royen.) Maar radio en televisie lopen
achter de discussiesite van Het Journaal
(www.omroep.nl/nos/joumaal/paginas/discussie/) en 'het Antwoordapparaat' van
Radio l zijn tot nu toe uniek in Hilversum. Als rectificaties op uitzendingen
al voorkomen dan worden ze weggemoffeld in de desbetreffende omroepgids. Alsof
de fout daar gemaakt is. (Wat Folkert hier betoogt
is een gotspe. Op de discussiesite van het Journaal gaat Hans Laroes direct in
debat met de kijker. Dat zou Folkert nooit durven. Sterker: NRC heeft een
discussie op hun site in paniek uit de lucht gehaald toen daarop steeds meer
werd verwezen naar de site van Theo van Gogh.)
Dit klemt des te meer omdat veel analyses over de
toegenomen macht van media zich vooral op televisie lijken te baseren, die in
omvang en tijdbeslag de laatste jaren sterk is gegroeid. Begrippen als
'dramademocratie' (Mark Elchardus) en inquisitiedemocratie' (Paul 't Hart)
lijken gebaseerd op de effecten van het televisiemonopolie op de
stembuscampagnes van 2002 en 2003. Daarmee werd gedoeld op de thematiek van
amusement en achtervolging waar in televisiebeelden makkelijk naar gegrepen
wordt. Als ergens de thermiek voor een hype of 'nieuwscascade' kon ontstaan dan
toch onder de hete tv-lampen. De vraag waar de kijker of belanghebbende op een
vlotte en eenvoudige manier genoegdoening kan krijgen als presentatoren van de
publieke omroep zeggen dat de LPF 'Helaas' heeft gewonnen, is ook nog
onbeantwoord. Hoofdredacties zijn hier onzichtbaar gebleven, de kijker heeft
geen forum.
De wezenlijke vraag is echter of verantwoordingsmechanismen waar ze nog
ontbreken door de overheid moeten worden opgelegd. Voor de kranten noem ik een
aantal uitgangspunten die door de overheid gerespecteerd moeten worden.
Meestal is kritiek nuttige feedback waarmee de kwaliteit van de krant is
gediend. Dus is een open houding en een publieke afhandeling gewenst.
Maar een ten minste even groot goed is de vrijheid van de redactie om haar werk
zonder last of ruggenspraak met wie dan ook te kunnen doen. Natuurlijk kunnen
wetenschappelijk onderzoek of lezerspanels, dan wel de activiteiten van een
'mediawatch instituut' (aanbeveling KMO) nuttige bronnen vormen voor
hoofdredacties om hun krant te verbeteren. Maar onderzoekers, burgers, politici
of belanghebbenden mogen nooit de illusie krijgen dat ze daarmee structureel
invloed verwerven op een redactie. Dat ze mee mogen bepalen wat nieuwswaarde
heeft en wat niet wat op de voorpagina komt en waar de krant onderzoek
naar doet. Kranten worden betaald door lezers en adverteerders en zijn in
beginsel volledig vrij te schrijven waarover zij willen.
Redacties moeten aan het maatschappelijk debat over media te allen tijde
zelfstandig en in volledige vrijheid voor zichzelf conclusies kunnen verbinden.
Dat beweer ik niet uit professionele zelfgenoegzaamheid maar uit respect voor
de lezer die wil vertrouwen op een redactie zonder lobbyisten, pottenkijkers,
of 'rijksmediainspecteurs, afdeling Visitatie, Instituut voor Mediawatch'.
Redacties die geen verstandig antwoord kunnen formuleren op de legitieme vraag
naar transparantie en verantwoording, zullen daarvan ook de consequenties op
die vrije markt ervaren, zo vermoed ik. Verlies van vertrouwen dreigt en dus
van
lezers.
Als de overheid zich zorgen maakt over de gevolgen van 'medialogica', de rol
van politici in de media, de onzichtbaarheid van het parlement, dan dient het
daartoe evenzeer oplossingen voor de eigen kring aan te dragen. In het rapport
'Politiek en Media' van de Raad voor het Openbaar Bestuur (RBO) gebeurt
dat ook, maar nog heel voorzichtig. De overheid moet zich minder afhankelijk
opstellen en het publieke toneel heroveren op de media, zo wordt daar gesteld.
De overheid moet meer 'media-onafhankelijk' worden. Het zijn enigszins vrome
woorden en dat is ook af te lezen aan de weinige praktische suggesties die er
worden gedaan. Meer geld uitgeven aan overheidswebsites, een eigen
overheidskrant te beginnen en vaker zendtijd kopen. Daarmee lijkt in zekere zin
het wiel opnieuw te worden uitgevonden.
Maar er wordt ook opgemerkt dat zelfkritiek en evaluatie van het mediagedrag
van politici zelf nodig is. (Folkert klampt zich
hier vast aan een miniem draadje in het genoemde RMO-rapport waarin naast grote
kritiek op de media ook iets wordt gezegd over politici. Dit wordt vervolgens
opgeblazen tot de kop van Folkert's hele verhaal. Folkert eindigt dus niet meet
een notie van zelfreflectie, maar met het leggen van de Zwarte Piet bij
derden.) Dat element ontbrak tot nu toe in de
discussie. Mag ik een schot voor de boeg lossen? Het lijkt mij onethisch voor
een politicus om deel te nemen aan de concurrentiecultuur en de kijkcijferrace
door exclusiviteitsafspraken te maken met media. Het lijkt mij evenzeer
laakbaar voor een politicus om in de media tevoren afgesproken voldongen
politieke feiten bekend te maken, waarvoor de vergadering van de fractie, de
Kamer of het kabinet de staatsrechtelijk aangewezen plaats is. Wie de
televisiestudio gebruikt als politiek toneel, moet niet vreemd opkijken als de
functie van 's lands vergaderzaal snel devalueert. Ook het mediagedrag van
politici hoort thuis in het debat over de invloed van media.
Folkert Jensma is redacteur van NRC Handelsblad. Dit is de ingekorte tekst van
het Schlichting College, dat gisteren werd gehouden aan de Katholieke
Universiteit Nijmegen. Volledige tekst, inclusief de bijdrage van H. Laroes,
hoofdredacteur NOS-journaal, via het secretariaat K.I.M., Grameystraat 25, 6252
DN Nijmegen, 5 euro.
mkat2@chello.nl
|