Uw Lux et Libertas Ombudsman

"Kat is een gek die zijn feiten nooit checkt. Hij voert een vedetta tegen ons, omdat hij ooit als stagiair aan de kant is gezet."
Maarten Huygen, commentator NRC Handelsblad, in HP/de Tijd


"Alles wat Kat schrijft is je reinste flauwekul. Pure kwaadsprekerij."
Volkert Jensma, hoofdredacteur NRC Handelsblad, in HP/de Tijd


"Micha Kat? Heb ik wel eens van gehoord, ja. Het schijnt dat hij appeltjes met ons wil schillen."
Henk Hofland, commentator en oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad in HP/de Tijd


"Ik vind dat Kat eerst zijn eigen 'facts moet checken' voor hij ze opschrijft en verspreidt."
Gijsbert van Es, adjunct-hoofdredacteur NRC Handelsblad, in De Journalist


"Kat is notoir onbetrouwbaar"
Mr. Maarten Huygen, commentator NRC-Handelsblad en lid van de commissie aantrekken leden rechterlijke macht, op www.netkwesties.nl


"Over Kat haal ik mijn schouders op. Ik reageer niet tenzij journalisten denken dat het waar is wat hij schrijft. In de praktijk blijken dat doorgaans HP de Tijd, VN, Volkskrant en Business News Radio te zijn, die allemaal media-achterklaprubrieken moeten vullen. Inmiddels is het iedereen wel duidelijk hoe die stukjes moeten worden gewogen: als haatdragende verzinsels."
Folkert Jensma, hoofdredacteur NRC Handelsblad, op www.netkwesties.nl



Mediatoespraak Folkert roept om debat

Waarde lezers! In de krant van 13 november staat een toespraak van Folkert over de media. Tientallen mailtjes en telefoontjes kreeg ik, allemaal van hetzelfde soort: "Hoe durft ie! De hypocriet! Hij zegt niets nieuws, niets zinnigs, geen enkel mea culpa'. etc. etc. In deze aflevering van mijn rubriek zal in Folkerts toespraak annoteren. Alleen zo kunnen zijn leugens en hypocrisie worden blootgelegd: feit voor feit, opmerking voor opmerking.


Mediagedrag politici roept om debat
(We beginnen met de kop. Misleidend en opportunistisch. De bal wordt immers geheel ten onrechte bij anderen (politici) gelegd. Bovendien gaat alleen de tweede helft van de vijfde kolom van het stuk over dit aspect. Het schoonvegen van het eigen straatje begint dus al in de kop.)

Wie de televisiestudio gebruikt als politiek toneel, moet niet raar opkijken als de functie van het parlement snel devalueert, meent Folkert Jensma.

Artsen begraven hun fouten op het kerkhof, journalisten zetten ze in de krant.
(Journalisten zetten sommige fouten in de krant. Zeer ernstige zaken worden buiten de kolommen gehouden. Ingezonden brieven die op grote blunders wijzen worden steevast geweigerd. Zie de brieven van Frans Verhagen en Hans Vogel die ik op de site heb gezet. Voor het bedrog in de zaak 'Ottolien' heeft De Volkskrant nimmer een fout erkend. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.)
En iedereen die wel eens in de krant de plank missloeg heeft nog weken last van de miserabele nasmaak van falen in het openbaar. Het is dan geen troost dat de krant mede bestemd is voor de kattenbak en de televisie ook wel als schemerlamp dienst doet. Niemand vindt het erger om een fout te maken. In het openbaar dan de journalist zelf.
Ik wil daarmee graag het beeld corrigeren van de vrijbuitende en lichtgeraakte journalist die geen kritiek zou verdragen, zich liever arrogant achter de vrijheid van meningsuiting verschuilt dan dat hij eerlijk voor z'n vergissingen uitkomt. "Journalists don't have thin skins, they have N0 skins", zei Edward R. Murrow ooit.
(Een citaat van adjunct-hoofdredacteur Gijsbert van Es, gedaan in de Journalist: 'NRC Handelsblad maakt geen fouten'.)
De pers ligt nu echter onder vuur en dan springt in het oog dat de journalistiek, net als de medische stand of de rechterlijke macht trouwens, niet goed weet hoe ze met kritiek om moet gaan. (Dit is een juiste constatering. )

En dat probleem wordt dringender naarmate de rol van de journalisten ('de media' ) in het openbare leven in belang toeneemt. Dat laatste schijnt het geval te zijn als we de vloed aan rapporten, wetenschappelijke onderzoeken en uitspraken van politici mogen geloven.
(Elke eindredacteur zou hier een dikke streep door halen. Neemt de rol volgens Folkert nu wel of niet toe? Hij durft het niet te zeggen. Feit: we leven in een mediacratie. De media zelf zijn belangrijker geworden dan wat er in concreto in de samenleving gebeurt. Anders gesteld: de media bepalen wat er in de samenleving gebeurt doordat actoren er bij hun gedragingen reeds bij voorbaat rekening mee houden dat de media daarover gaan berichten en de aard en inhoud van hun gedragingen daarop afstemmen. De standaardcasus is hier de politicus die alleen over die onderwerpen kamervragen stelt, waarmee hij reeds tevoren weet dat hij de pers zal halen.)
Ik vat hier in een paar steekwoorden de bruikbare analyse van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkelingen (RMO) samen waarin 'de media' vooral wordt verweten door een tamelijk perverse eigen logica het publieke debat (en daarmee de democratie) te beperken in plaats van te bevorderen. Die zogeheten medialogica komt voort uit concurrentie en daarmee gepaard gaande haast, maar wordt versterkt door een zeer beperkt repertoire (nogal gemakzuchtige) journalistieke technieken. Journalisten zien een gebeurtenis vooral als 'nieuwswaardig' als het om een makkelijk te verbeelden conflict gaat, dat dichtbij de belangstelling van burgers ligt, liefst gebracht in de vorm van een onderhoudende wedren tussen herkenbare personen. Ook het 'cynische spel om de macht is een veel gebruikt verhaalschema, samengebald in het tenenkrommende cliché: 'gaan er koppen rollen?' Voor veel burgers is het onderscheid tussen 'de media' en het openbare bestuur vervaagd, doordat veel politiek tegenwoordig live op televisie wordt bedreven in nauwe samenspraak met mediapersonen.
Als treffende illustratie van deze ontwikkeling noem ik het verwijt na de moord op Fortuyn aan het adres van 'de media' en 'de politiek' dat deze geen contact meer zouden hebben met 'het volk', getuige de grote stembuswinst voor de LPF. Veel hoofdredacties werden bestookt met de moeilijk beantwoordbare vraag waarom ze 'het' niet eerder hadden 'gezien'. Daarmee leek dan vooral te worden gedoeld op de sociale ontevredenheid waaraan Fortuyn kortstondig gezicht had gegeven.
Dat de kranten letterlijk vol hadden gestaan (en bleven staan) met reportages over falend onderwijs, arme buurten, wachtlijsten, gebrekkige integratie, multiculturele criminaliteit en ander ongerief, was geen afdoende antwoord.
(Hier mist Folkert totaal de pointe door gebrek aan intelligentie. Het gaat er namelijk helemaal niet om of de kranten deze problemen en de onvrede onder het volk al dan niet hebben geconstateerd en een reportage hebben gemaakt over een wachtlijst. Waar het om gaat is, of de kranten hebben gezien dat de gevestigde politieke orde, de grote partijen dus, deze signalen stelselmatig negeerden en dat er bijgevolg een enorme vertrouwensbreuk ontstond met het electoraat. Het ging om verkiezingen, weet je nog wel, Folkert? Dat hebben de kranten dus niet gezien. Integendeel, naarmate de verkiezingen naderden ging de pers Fortuyn meer demoniseren om de gevestigde orde te hulp te komen. Dit culmineerde in het fameuze commentaar van Folkert een dag voor de verkiezingen waarin hij een direct verband legde tussen Fortuyn en nazi-Duitsland.) Kennelijk was het beeld van het zelfgenoegzaam keuvelende politiek-journalistieke toneel zo dominant dat de gewone vakjournalistiek geen effect meer sorteerde. Aangezien 'de politiek' had gefaald, gold hetzelfde 'de media'.
Bij de redactie van NRC Handelsblad werd na enig intern onderzoek vastgesteld
(Folkert doelt hier vermoedelijk op het onderzoek dat na de moord op Fortuyn door Mark Kranenburg werd aangekondigd, anderhalf jaar geleden dus. Nimmer hebben we iets mogen vernemen over de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd. Nu slingert Folkert opeens enkele 'resultaten' de wereld in. Dit alles geeft aan met hoeveel tegenzin de krant zo'n onderzoek doet (als het al is gedaan) en hoe weinig de krant daadwerkelijk bereid is tot openheid naar de lezer. NRC doet hetzelfde als politici in de problemen: met veel tamtam wordt een onderzoek aangekondigd waar je later niets of nauwelijks iets meer van hoort. Hiermee toont NRC eens te meer aan hoe gouvernementeel de krant is.) dat de krant te lang in de taxatie van Fortuyn als 'politiek lichtgewicht was blijven steken en de politieke betekenis van diens rol als charismatische outsider (Hoezo 'outsider'? Wat een mis woordgebruik! Op een gegeven moment leidde hij alle peilingen! De LPF was net zo'n volwaardige deelnemer aan het democratisch proces als alle andere partijen. Vermoedelijk bedoelt Folkert met 'outsider': niet behorend tot het politieke establishment. ) en sociale katalysator nogal had onderschat. Er was bijvoorbeeld op de redactie aanvankelijk aanmerkelijke reserve om Fortuyn breed te portretteren of zelfs maar te interviewen. De sociale en politieke onvrede in de samenleving waren wel bekend en ook voldoende in de krant beschreven, maar de heftigheid en het inslagpunt (Fortuyn) waren toch een verrassing. Daarnaast was ook sprake van vooringenomenheid jegens hem - sommige redacteuren vonden Fortuyn te veel een kwibus en te weinig een volksvertegenwoordiger. Achteraf is mijn conclusie dat eerder sprake is geweest van het af en toe ridiculiseren van Fortuyn dan van 'demoniseren'. (Als je het ridiculiseren noemt om iemand in direct verband te brengen met nazi-Duitsland heeft Folkert gelijk. Toch nog maar even citeren wat Folkert zelf over Pim schreef: 'Het is de trots van Nederland dat we hier juist niet de ene cultuur beter vinden dan de andere. Dat we hier mensen gelijk behandelen in een open samenleving. Dat we ons hier de xenofoben en racisten van het lijf wensen te houden. Het is een grote schande dat we zestig jaar na dato een politicus in ons midden hieraan moeten herinneren'.
Overigens heeft Folkert zijn 'ridiculiserende' hoofdartikel op laffe wijze verwijderd uit de NRC-databestanden. De enige die zo langzamerhand geridiculiseerd wordt is Folkert zelf.)
Er was overigens ook nog andere mediakritiek, die veel minder beklijfde, vermoedelijk door het rumoer na de dramatische moord op Fortuyn. Televisie en kranten zouden juist door buitensporig veel en vooral onkritische aandacht voor Fortuyn diens belang hebben overdreven en zijn opkomst mede hebben mogelijk gemaakt.
In deze opvatting is Fortuyn zélf een media-effect - vergelijkbaar met de massale stille tochten na incidenten van 'zinloos geweld' die brede media aandacht trokken. Nu Was er dan voor het eerst een soort stille tocht naar de stembus te zien, mee afgeroepen door media-overbelichting en gesteund door de omslag in de journalistieke waardering van de paarse kabinetten. Hier was de conclusie dat 'de media' zo'n fenomenaal effect met iemand anders makkelijk kunnen herhalen. Het electoraat is immers op drift. In 2002 wisselden 46 zetels in de Tweede Kamer van kleur, een naoorlogs record.
Is er nu reden om de journalistiek scherper te controleren?
De journalist van vandaag werkt voor een doorgaans volledig ontzuild medium,
(Steeds weer wordt er nadruk gelegd op de 'ontzuiling' van de media. Alsof dat er ook maar iets mee te maken heeft! Folkert, schreef jij jouw 'ridiculiserende' zinnen over Pim omdat NRC is 'ontzuild'? Of gewoon omdat je in de greep verkeert van de gevestigde orde en ook je eigen macht door Fortuyn bedreigd zag? ) dat onderhevig is aan de krachten van de vrije markt vóór lezers/kijkers en advertenties, in een professionele (platte)organisatie waar vooral journalistieke normen leidend zijn. De lezers of kijkers oefenen een zekere kwaliteitscontrole uit door met hun voeten te stemmen, (Orakeltaal van Folkert. Ik interpreteer deze passage aldus: steeds meer lezers zeggen hun abonnement op NRC op omdat ze de krant kloten vinden. Logisch dat Folkert dit niet met zoveel woorden durft te zeggen. Het illustreert slechts de intrinsieke onmogelijkheid van media om serieus om te gaan met feiten en kritiek die resulteert in wollig en verhullend taalgebruik waarmee de hele speech van Folkert vol staat.) wat ze met toenemende frequentie doen. De hoofdredacties van kranten gebruiken gedragscodes en stijlboeken om redacties te disciplineren. (Absolute bullshit. Geen redacteur die op de redactie ooit in de gedragscode kijkt. Een schande dat Folkert dit durft te zeggen. Bovendien: het gaat niet om codes en boeken, maar om wat je doet. Je ziet het vaker in de samenleving: de enige functie van dit soort codes en boeken is dat je kunt zeggen: we doen toch wat? Daarmee hoef je niet meer in te gaan op wat je feitelijk doet, je verwijst gewoon steeds naar die codes. De standaardcasus: het bedrijf dat een dikke code opstelt over maatschappelijk verantwoord ondermenen (zoals Ahold) maar wel gebruik maat van kinderarbeid.) Er zijn lezersrubrieken, waarin brieven worden opgenomen, columns, antwoordrubrieken, telefonische spreekuren of discussiesites met hoofdredacties. Er zijn ook lezersredacteuren, ombudslieden (Hoe Freudiaans, dat 'ombudslieden'! Omdat NRC er zelf geen heeft neemt Folkert het hele fenomeen niet serieus en gebruikt wat we in de taalkunde noemen een 'peiorativum!' Zoek maar op, Folkert, wat dat betekent!) of 'krantenrecensenten' die de mediakritiek in de krant zelf beoefenen, in wisselende mate van onafhankelijkheid. (Wie vind Folkert wel en wie niet onafhankelijk? Opnieuw durft hij zich niet uit te spreken. Hij verstout zich zelfs niet eens zijn eigen 'krantenrecensent' Piet Hagen onafhankelijk te noemen!) De rechter of de Raad voor de Journalistiek zijn de instanties van laatste toevlucht. (Deze horen in een beschouwing over kranten (media) niet thuis omdat het externe instituties zijn. Relevant is slechts wat de media zelf doen aan het afleggen van verantwoording en het opleggen van sancties aan falende c.q. corrupte redacteuren. Volg Folkerts redeneertrant en je zegt: allochtone probleemjongeren? We hebben altijd nog de rechter als instantie van laatste toevlucht! Folkert laat zien dat hij de essentie van de functie van rechtspraak in onze samenleving niet begrijpt. Hij denkt namelijk (en velen met hem, vooral politici) dat rechters maatschappelijke problemen kunnen oplossen door (streng) te straffen. Dat is natuurlijk niet zo.)
Voorlopig lijkt mij dit toereikend. Er is nog voldoende ruimte voor verbetering en verfijning: tussen de Raad voor de Journalistiek en de rechter in kort geding gaapt een gat, waar bijvoorbeeld verplichte bemiddeling in de vorm van een geschillencommissie uitkomst zou kunnen bieden. (Folkert raakt hier het spoor volledig bijster. Het is een reflex van de slechtste (politieke) soort: creëer als je het niet meer weet nieuwe bureaucratische instituties of commissies. Wie gaan in die geschillencommissie zitten? Ed van Thijn, Winnie Sorgdrager, prof. Warna Oosterbaan?) Maar in grote lijnen zijn alle wapens voorhanden. Er is een heldere beroepsethiek: de stijlboeken en gedragscodes van dagbladtitels lijken sterk op elkaar. De transparantie bij gedrukte media wordt langzaam groter. Redacties zien dat interne controle door een buitenstaander, zoals bij NRC Handelsblad, nu al een jaartje vrijwillig plaatsvindt in de rubriek Krant Achteraf, z'n nut kan afwerpen. ('Nut afwerpen': dat Folkert geen stilist is, soit. Interessanter is het mysterieuze 'vrijwillig'. Welke verborgen suggestie ligt hierin besloten? Dat de meeste controleurs van de media dat onder dwang doen, maar bij NRC niet? Of dat NRC uit vrije wil heeft besloten Piet Hagen binnen te halen als 'criticus', uiteraard na zich eerst te hebben verzekerd van zijn slaafse, laffe en volgzame inborst? Ik vermoed dit laatste, maar als dat zo is, waarom moet dat dan expliciet worden benadrukt? Wellicht omdat sommigen zouden kunnen denken dat NRC Piet heeft binnengehaald onder druk van bijvoorbeeld woedende lezers die 'met de voeten gingen stemmen?' Folkert, kerel, zeg nu eens gewoon wat je bedoelt!
En dan: dat 'afwerpen van het nut'. Welk nut? Geef dan eens aan, Folkert, wat dat nut dan precies is. Volgens mij berokkent Piet de krant juist extra veel schade door aantoonbare leugens te verspreiden, zoals bijvoorbeeld over de 'Irakese visumkwestie' en door niet in te gaan op wezenlijke dingen zoals het manipuleren van de enquête naar de Europese grondwet en het ontslag van Marjon van Royen.)
Maar radio en televisie lopen achter – de discussiesite van Het Journaal (www.omroep.nl/nos/joumaal/paginas/discussie/) en 'het Antwoordapparaat' van Radio l zijn tot nu toe uniek in Hilversum. Als rectificaties op uitzendingen al voorkomen dan worden ze weggemoffeld in de desbetreffende omroepgids. Alsof de fout daar gemaakt is. (Wat Folkert hier betoogt is een gotspe. Op de discussiesite van het Journaal gaat Hans Laroes direct in debat met de kijker. Dat zou Folkert nooit durven. Sterker: NRC heeft een discussie op hun site in paniek uit de lucht gehaald toen daarop steeds meer werd verwezen naar de site van Theo van Gogh.)
Dit klemt des te meer omdat veel analyses over de toegenomen macht van media zich vooral op televisie lijken te baseren, die in omvang en tijdbeslag de laatste jaren sterk is gegroeid. Begrippen als 'dramademocratie' (Mark Elchardus) en inquisitiedemocratie' (Paul 't Hart) lijken gebaseerd op de effecten van het televisiemonopolie op de stembuscampagnes van 2002 en 2003. Daarmee werd gedoeld op de thematiek van amusement en achtervolging waar in televisiebeelden makkelijk naar gegrepen wordt. Als ergens de thermiek voor een hype of 'nieuwscascade' kon ontstaan dan toch onder de hete tv-lampen. De vraag waar de kijker of belanghebbende op een vlotte en eenvoudige manier genoegdoening kan krijgen als presentatoren van de publieke omroep zeggen dat de LPF 'Helaas' heeft gewonnen, is ook nog onbeantwoord. Hoofdredacties zijn hier onzichtbaar gebleven, de kijker heeft geen forum.
De wezenlijke vraag is echter of verantwoordingsmechanismen waar ze nog ontbreken door de overheid moeten worden opgelegd. Voor de kranten noem ik een aantal uitgangspunten die door de overheid gerespecteerd moeten worden.
Meestal is kritiek nuttige feedback waarmee de kwaliteit van de krant is gediend. Dus is een open houding en een publieke afhandeling gewenst.
Maar een ten minste even groot goed is de vrijheid van de redactie om haar werk zonder last of ruggenspraak met wie dan ook te kunnen doen. Natuurlijk kunnen wetenschappelijk onderzoek of lezerspanels, dan wel de activiteiten van een 'mediawatch instituut' (aanbeveling KMO) nuttige bronnen vormen voor hoofdredacties om hun krant te verbeteren. Maar onderzoekers, burgers, politici of belanghebbenden mogen nooit de illusie krijgen dat ze daarmee structureel invloed verwerven op een redactie. Dat ze mee mogen bepalen wat nieuwswaarde heeft en wat niet – wat op de voorpagina komt en waar de krant onderzoek naar doet. Kranten worden betaald door lezers en adverteerders en zijn in beginsel volledig vrij te schrijven waarover zij willen.
Redacties moeten aan het maatschappelijk debat over media te allen tijde zelfstandig en in volledige vrijheid voor zichzelf conclusies kunnen verbinden. Dat beweer ik niet uit professionele zelfgenoegzaamheid maar uit respect voor de lezer die wil vertrouwen op een redactie zonder lobbyisten, pottenkijkers, of 'rijksmediainspecteurs, afdeling Visitatie, Instituut voor Mediawatch'.
Redacties die geen verstandig antwoord kunnen formuleren op de legitieme vraag naar transparantie en verantwoording, zullen daarvan ook de consequenties op die vrije markt ervaren, zo vermoed ik. Verlies van vertrouwen dreigt en dus van
lezers.
Als de overheid zich zorgen maakt over de gevolgen van 'medialogica', de rol van politici in de media, de onzichtbaarheid van het parlement, dan dient het daartoe evenzeer oplossingen voor de eigen kring aan te dragen. In het rapport 'Politiek en Media' van de Raad voor het Openbaar Bestuur (RBO) gebeurt dat ook, maar nog heel voorzichtig. De overheid moet zich minder afhankelijk opstellen en het publieke toneel heroveren op de media, zo wordt daar gesteld. De overheid moet meer 'media-onafhankelijk' worden. Het zijn enigszins vrome woorden en dat is ook af te lezen aan de weinige praktische suggesties die er worden gedaan. Meer geld uitgeven aan overheidswebsites, een eigen overheidskrant te beginnen en vaker zendtijd kopen. Daarmee lijkt in zekere zin het wiel opnieuw te worden uitgevonden.
Maar er wordt ook opgemerkt dat zelfkritiek en evaluatie van het mediagedrag van politici zelf nodig is.
(Folkert klampt zich hier vast aan een miniem draadje in het genoemde RMO-rapport waarin naast grote kritiek op de media ook iets wordt gezegd over politici. Dit wordt vervolgens opgeblazen tot de kop van Folkert's hele verhaal. Folkert eindigt dus niet meet een notie van zelfreflectie, maar met het leggen van de Zwarte Piet bij derden.) Dat element ontbrak tot nu toe in de discussie. Mag ik een schot voor de boeg lossen? Het lijkt mij onethisch voor een politicus om deel te nemen aan de concurrentiecultuur en de kijkcijferrace door exclusiviteitsafspraken te maken met media. Het lijkt mij evenzeer laakbaar voor een politicus om in de media tevoren afgesproken voldongen politieke feiten bekend te maken, waarvoor de vergadering van de fractie, de Kamer of het kabinet de staatsrechtelijk aangewezen plaats is. Wie de televisiestudio gebruikt als politiek toneel, moet niet vreemd opkijken als de functie van 's lands vergaderzaal snel devalueert. Ook het mediagedrag van politici hoort thuis in het debat over de invloed van media.

Folkert Jensma is redacteur van NRC Handelsblad. Dit is de ingekorte tekst van het Schlichting College, dat gisteren werd gehouden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Volledige tekst, inclusief de bijdrage van H. Laroes, hoofdredacteur NOS-journaal, via het secretariaat K.I.M., Grameystraat 25, 6252 DN Nijmegen, 5 euro.

mkat2@chello.nl

Uw Lux et Libertas Ombudsman


Micha Kat

Het geheel vernieuwde
Lux et Libertas Lexicon

Vorige stuk van
Uw Lux et Libertas Ombudsman



Slijmen of
Schelden?
Schrijf Terug
!
Inhoud| D.C.Lama | U Schreef | Archief | Service