|
Rede bij de uitreiking van "Joop
Klepzeiker deel 13" op 6 juni 1998
Dames en heren,
Eric Schreurs is van de drank af en zulks lijkt
me een zegen voor zijn vrouw en kinderen. Maar aangezien ik hem in de korte maar
hevige periode dat wij met elkaar omgingen nooit anders dan beschonken heb
meegemaakt, heb ik dus geen flauw idee wie hier nu, nuchter, voor mij staat. Ook
ìk was altijd in de lorem. Een jaar geleden kwamen we elkaar weer
'ns tegen. Wat ik ook probeerde om broeder Schreurs aan de fles te krijgen, hij
volhardde in bewonderenswaardige onthouding. Ik wist niet hoe gauw ik dronken
moest worden. Noem 't de schok der herkenning. Het evangelie van Schreurs'
endeldarm loeit nog altijd voort in Joop Klepzeiker, de gevaarlijke optimist die
als geen ander weet hoe je een opblaaspop moet aanranden. In hoeverre zit Eric
in Joop Klepzeiker? Tamelijk, als je 't mij vraagt. Als geen ander
belichaamt Schreurs de vreugde van het gezin als hoeksteen van de samenleving en
de stille razernij die zulks onherroepelijk ten gevolge heeft, spuit de hemel in
bij Klepzeiker. Er wordt aan duidelijkheid niets over gelaten bij Klepzeiker.
Dat is de kracht èn zwakte van de strip. Als je Schreurs vraagt om
een gek te tekenen die in het gesticht denkt Napoleon te zijn, of die in een
dwangbuis in paniek raakt voor een spin, of wanneer de tekenaar z'n fantasie de
vrije loop laat en een roeier op het water toont die als een kat in de zak het
vrouwtje meevoert om zo dadelijk te verzuipen, dan komt de ingetogen Eric aan
bod. Ik ben een bewonderaar van de uitbundige Klepzeiker, maar buig voor de
stille tekeningen die Eric elders maakte. En ik vraag me af of ik hem ooit nog
zo gek zou kunnen krijgen dat 'ie de rampspoed die Liefde heet nog één
keer met z'n potlood als een zeis in kaart zou willen brengen. Is er nog iets te
vinden van onvrede in de starende ogen van deze grote tekenaar? En is Schreurs
nog in staat om een lijk aan te snijden op een cocktail-party? 't Is de
vraag. Ik zou hem willen verleiden om de folteringen van het vlees te laten zien
van een onbegeerde vrouw. Ik zou hem willen vragen een pederast te tekenen die
met tranen in de ogen naar een commercial van Venz- hagelslag kijkt. En ik
zou hem willen verzoeken nog één keer die gleufhoed te tekenen van
die liefhebber die een hoer groet terwijl ze wordt ondergepist door Bello, haar
kwispelende vier-voeter. Schreurs en ik hebben elkaar regelmatig geslagen
en als ik nu door obscene dromen bereden werd in de gesloten afdeling van Zon &
Schild, geloof ik niet dat broeder Eric als eerste binnen zou komen om me te
bevrijden. Integendeel, Schreurs ziet mij als een koddige incarnatie van
Hannibal Lector - U weet wel - en sloot me 't liefst levenslang op met de
woorden:"Vergeet je niet een bloemetje voor Moederdag?" Tijdens
z'n meest geïnspireerde momenten mocht ik Eric's demon zijn. Z'n vrouw werd
gestoord van de liedjes die ik zong. Z'n kinderen kropen achter haar rokken weg
als Oom Theo langskwam. Eric moet me erg gehaat hebben. 'Jongens waren we,
maar aardige jongens...' Zelfs dat weet ik niet zeker meer. Hier en nu,
bij de uitreiking van de dertiende Klepzeiker die weer voor vele jaren een
boterham met tevredenheid in Leiden garandeert, zou ik de grote Tekenaar willen
vragen: "Zullen we nog één keer, eikel?..."
Theo van Gogh |