Dwergenneuker
Ik ben nog 'ns verliefd geweest op een kraakster in de Poelestraat, en dat
tijdens de winter dat Wiegel als Minister van Binnenlandse Zaken in een
helikopter boven de ingesneeuwde dorpen hing. Waarom verlieft men zich?
Omdat haar fiets daar stond.
Ik ben van m'n leven één keer radeloos verkocht geweest en als ik
me met veel moeite op een zweem van eerlijkheid betrap, terugdenkend aan die
onschuldige dagen, springt de schaamte weer als een mes naar m'n keel. Gut, wat
was ze mooi, en vooral, wat bewoog ze loom en geil, alsof haar leven een
vertraagde film was en wij aanbidders haar hulpeloze toeschouwers.
Onverstandig, studeert op haar tweeënveertigste nog voor arts:
"Iedereen om me heen krijgt kinderen, ik zal wel altijd alleen
blijven."
Is er leven vòòr de dood?
"Voor jou en mij niet, liefje..."
Maar toen...
IK kan m'n leven niet overdoen en als ik aan haar denk, zie ik weer de knipoog
van de dikke Duitser voor me, in die abortuskliniek, als het vrouwtje van
meneer opstaat om onder het mes te gaan. Uit muziekboxen klinkt het weeë
flierefluiten van Thijs van Leer. Mijn geliefde ziet wit om de neus. Ik probeer
haar te vertellen dat ze niet zo verdrietig moet zijn. En faal hopeloos.
Aan het eind van de wondere jaren '70 was abortus dé handrem voor het
verlichte deel der natie. Een soort voorbehoedsmiddel.
Ik vermoed dat jeugdige lezers zulks niet begrijpen, maar toen was het plaatsen
van tenminste een vraagteken bij het voortmarcheren van de gelegitimeerde
breinaaldenbrigade toch vooral een blijk van hopeloos-uit-de-tijd-zijn. Wie zou
de verworvenheid van zoveel Vrouwenstrijd met enige scepsis durven bezien?
Ik was Van Agt niet.
Eén ding wist ik heel zeker; ze hield van me.
En het rare is, de gêne over dat tegen de klippen op blijven amuseren van
iemand die jou 't liefste in je gezicht zou spugen, wordt groter in plaats van
kleiner.
Jij bent een handelsreiziger in gebakken lucht; altijd geweest, trouwens.
Enfin, Groningen; Hoendiep, Poelestraat.
Een zomer die nooit voorbij zou gaan.
Maar m'n verliefdheid zelf duurde hooguit drie maanden, geloof ik, en begon op
een nevelige namiddag op een kerkhof, op het graf gevlijd van haar aan leukemie
overleden vriendin, zekere Nienke. Kraaien krasten, de geliefde bekende zich
aan de bolle hobbelaar - speciaal voor de gelegenheid 60 kilo afgevallen met
behulp van een balletdieet: driemaal daags yoghurt met rozijnen, ziedaar
die vooral onmachtige pogingen deed de Eeuwige Beweging op het kille marmer te
volvoeren.
Blaasontsteking.
U zij de Glorie.
Later was ze naar eigen zeggen 'aangerand' in een weiland van de Ommelanden, en
gingen we gezellig picknicken op de plek des onheils, 'om jouw herinnering te
bezweren', zoals ik haar deftig voorhield.
Ze huilde als het wonder van de overgave haar deelachtig werd, zwijgend, met
dikke tranen die als ijspegels mijn hart verkilden. Ik kon m'n ogen niet van
haar afhouden.
En nu, eenentwintig jaar later, lig ìk in de armen van alweer een
eenentwintigjarige; viriele veertiger, gevreesde dwergenneuker, ietwat mislukt,
maar daarom niet minder opgewekt. Ik heb dit aanminnige wezen leren kennen
tijdens een TV-opname met Menno Buch rondom de Gouden Koets. Daar stond de
fanclub van Willem Alexander, enige kirrende treurwilgen in bruidsjapon. En dan
deze lange benen, betoverende glimlach, wild meisje met de kwetsbare ogen.
Deed me denken aan d' Oude Heer vertelt: "Heb jij mij daarvoor zo gekust
voor de camera? Omdat ik je aan haar denken deed."
"'t Is meer een probleem van de hormonen... Eh..."
Hoe red ik me hieruit in het hemelbed van een bruidsuite te Groningen?
Ik zou haar nu moeten vertellen hoe bespottelijk ik me voel als ik iemand in
het oor lig te hijgen: "Ik hou van jou!..."
En dat mijn enige genegenheid ligt in het verlangen, nooit in de kilte van m'n
ogen als een vrouw ontvankelijk blijkt. Dat liefde een soort weddenschap is met
jezelf - "Ik lul de blaren op m'n tong, maar jij zou wel heel dom wezen
als je me geloofde " - en dat de trofee van graftakken met wimpel
("Goede wijn behoeft mijn krans") en champagne die ik haar van toen
destijds stuurde, natuurlijk kinderspel is vergeleken met de duizend glanzende
ringen die ik voor Jou nu in petto heb.
Vermoeide blik: "Ik heb je gemist..."
Zò te mogen liegen, 't heeft iets van genade. Ik doe m'n ogen dicht en
ben de koning van alle oplichters. Verlegen zijn om Groningen, op jacht naar de
aardige anecdote en vooral op de vlucht voor een herinnering. Heel zeker weet
je: "Dit houdt nooit meer op."
(Het eerste meisje heette Anne-Berdien, het tweede Maartje, beiden zijn danig
van Lotje getikt en als de grote Scenario-schrijver Hierboven genadig is
verlost Hij hen van de herinnering aan mijn persoontje. Het bovenstaande werd
geschreven voor het Nieuwsblad van het Noorden en verminkt afgedrukt. Even
verminkt kwam het terecht in Suite 61 ("Groninger nachten van bekende
Nederlanders") dat onlangs uit kwam. Koop maar niet.)
Theo van Gogh |