De babbelende gloeilamp uit Eindhoven
vraagt om Uw aandacht
19 november 2002
kenmerk: Bro/at
Onderwerp:
Boek " Omwille van de Troon"
Geachte heer Ross,
Naar aan leiding van uw boek "Omwille van de troon" en uw uitspraken
in verband daarmee in het TV-programma "Barend en Van Dorp" van 21
oktober 2002 wil ik het volgende onder uw aandacht brengen.
Uw boek en uw uitspraken in het bewuste Tv-programma bevatten aantijgingen over
leden van het Koninklijk Huis, respectievelijk hun verwanten, die feitelijk
onjuist zijn én/of inbreuk maken op hun persoonlijke levenssfeer.
Sommige van die aantijgingen zijn bovendien grievend en beledigend.
Uw voorstelling van zaken is op zijn minst onzorgvuldig.
Ik verzoek u drie aantijgingen toe te lichten.
In de eerste, plaats de bewering dat Z.K.H. Prins Bernhard der Nederlanden twee
zonen zou hebben verwekt bij een Engelse dame. Deze bewering is naar mijn
stellige overtuiging onjuist. Kunt u mij aangeven op welke feiten u uw bewering
baseert?
In de tweede plaats maakt u melding van een brief die de Prins tijdens de
Tweede Wereldoorlog aan Himmler heelt geschreven. Een dergelijke brief bestaat
volgens mijn informatie niet en ik ben ook nog niemand tegengekomen die het
bestaan van zo'n brief aannemelijk heeft kunnen maken.
Toch heb ik naar aanleiding van uw verwijzing naar de brief nog bij het NIOD
(voormalig RIOD) laten nagaan of men daar het bestaan van deze brief kent. Ook
van die kant wordt met stelligheid ontkend dat een dergelijke brief zou bestaan
of zou hebben bestaan. Ik nodig u uit aan te geven op grond waarvan u uw
vergaande beschuldiging aan het adres van de Prins baseert.
In de derde plaats richt u op verschillende plaatsen in het boek aantijgingen
aan het adres van de ouders van de Prins, in het bijzonder zijn moeder Prinses
Armgard.
Graag verneem ik van u op welke feiten en omstandigheden u ook deze beweringen
baseert.
Hoogachtend,
RIJKSVOORLICHTINGSDIENST
E. Brouwers
Directeur-Generaal
Antwoord Tomas Ross
W.P.Hogendoorn
Rijksvoorlichtingsdienst / Ministerie van Algemene Zaken,
Directeur-generaal E.Brouwers
Postbus 20009
2500 EA Den Haag
Don Haag, 22 november 2002
Betreft: schrijven Bro/at - Omwille van de Troon
Geachte heer Brouwers,
Om twee redenen las ik uw brief van 19/11 j.l. met stijgende verbazing. De
eerste omdat u mij ervan beschuldigt in mijn roman "Omwille van de
Troon" aantijgingen over leden van het Koninklijk Huis, respectievelijk
hun verwanten, te hebben gedaan die feitelijk onjuist zijn en/of inbreuk maken
op hun persoonlijke levenssfeer. Bovendien stelt u dat sommige van die
aantijgingen grievend en beledigend zijn én dat mijn voorstelling van
zaken op zijn minst onzorgvuldig is. Zijn aantijgingen overigens niet altijd
grievend en beledigend?
De tweede reden is dat ik me niet kan voorstellen dat een voormalig journalist,
nu directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst zo onwetend kan zijn.
Allereerst neem ik het in mijn roman zowel op voor Bernhards' standpunt, i.e.
de bescherming van de Noord-Atlantische belangen als ook voor dat van Juliana
("Nooit meer oorlog"). Zowel koningin als prins-gemaal, noch hun
kinderen, wordt in een kwaad of caricaturaal daglicht gesteld. U verwart
aantijgingen met feiten. Die feiten zijn inderdaad niet altijd even vleiend
voor met name prins Bernhard, diens stiefvader Panchouliedzew en zijn moeder
prinses Armgard, maar u kunt mij als auteur toch onmogelijk de vermelding van
historische feiten verwijten! Ook u zult toch ooit geleerd moeten hebben
"Facts are sacred, comment is free".
U stelt drie specifieke vragen, de eerste naar mijn bewering dat. de prins bij
" een Engelse dame" tijdens WO II twee zonen heeft verwekt. Te uwer
informatie: de dame in kwestie was Lady Ann or Lewis, de zonen zijn nu
respectievelijk 58 en 59 en u kunt gedetailleerde informatie hierover onder
meer vinden in het boek "Bernhard, een leven als prins" van de
historicus J.G.Kikkert (Poseidon Pers, Utrecht,1998); in "Sisterhood of
Spies" van Elizabeth McIntosh (Dell Publishing, New York, 1998) als ook
bij Hanno de Yong's "Oranje Bastaarden" (Aspekt, Soesterberg,
2001).
Verbazingwekkend was ook dat de. roddelbladen Weekend en Story in het voorjaar
van 1998 er uitgebreide reportages over publiceerden (respectievelijk
"Twee Geheime zonen van Prins Bernhard wonen in Londen" en "Het
halfzusje en de halfbroers die Beatrix nog nooit heeft gezien") en dat
waar met name toch prins Bernhard - en dikwijls terecht - rectificaties eiste
en eist, het koninklijk huis niets heeft ondernomen tegen zelfs deze
publicaties.
Uw tweede vraag betreft de brief die Bernhard aan Hitler zou hebben geschreven
vanuit Londen in 1942 met verregaande vredesvoorstellen en een rol voor
zichzelf daarbij. Deze brief duikt op in veel literatuur en zou te maken hebben
met de vlucht van een oude bekende van de prins, Rudolf Hess in '41 naar
Engeland (zie ook Picknett/Prince en Prior "Hess", Anthos 2001), maar
kwam onder brede belangstelling na eerst een artikel van Henk de Mari in
"De Telegraaf " (!) van 22 januari 1977, vervolgens in een publicatie
van Jan Pijper in "De Nieuwe Revue" van 17 november 1978 en daarna
onder meer zeer uitvoerig in Wim Klinkenbergs' "Prins Bernhard een
politieke biografie" (In de Knipscheer,1979). Ik verwijs u met name naar
de pp. 228-230 in de tweede druk als ook p. 296. Van groot belang daarbij is
een zekere Jeanette Kamphorst die de brief na de oorlog zou hebben gehad en
waarover de RIOD-medewerker Gerard Aalders o.m. een verrassend interview gaf
aan het dagblad Het Parool. Verrassend was daarbij vooral de vermelding dat ook
de Britse Secret Service kopieën van de brief zou bezitten en vooral ook
dat er, naast de handtekening van de prins, een tweede persoon zou hebben
ondertekend. De brief is volgens bovengenoemde bronnen gedateerd op
24/4-1942.
Het is even zo verrassend voor mij te horen dat het huidige NIOD tegen u zegt
"van niets te weten". Volgens mijn - helaas voor u vertrouwelijke -
informatie (zie ook de personen die ik voorin mijn roman bedank) bezat ook het
RIOD wel degelijk een kopie van de brief en ik meen me zelfs te herinneren dat
Het Parool daar enkele zinssneden uit citeerde.
Maar zeker moet het NIOD toch de bovenstaande bronnen kennen, zou je zeggen!
Bijgaande stuur ik u tevens wat meer in dezen zoals mij weer door de
oud-verzetsman Charles Destree werd toegezonden nadat ik me n.a.v. uw brief tot
hem wendde. De inhoud spreekt voor zichzelf.
Ten laatste; zelfs Adolf Hitler zelf noemt de brief in het befaamde boek
"Hitler's Tafelgesprekken ".
Tenslotte beweert u dat ik ook aantijgingen zou hebben gericht aan Bernhards'
ouders, i.h.b. prinses Anngrad. Dat "ouders" is onzin, Bernhard van
Lippe sr. komt nauwelijks voor in mijn roman, hij stierf toen zoon Bernhard
zeer jong was. Stiefvader Panchouliedzew werkte onder meer als spion voor de
Abwehr en voor I.G. Farben waarvoor ook Bernhard werkte onder meer als V-mann
voor de Duitse spionagedienst NW 7 (zie ook Philip Droge "Beroep:
meesterspion, het geheime leven van prins Bernhard", Vassallucci, 2002).
Dat ook prinses Armgard nazi-sympathieën koesterde is een algemeen bekend
feit, waarvoor ik opnieuw verwijs naar Klinkenbergs' biografie waarin dat
werkelijk op tal van plaatsen wordt aangetoond, maar zeer feitelijk wordt zij
door de toenmalige Abwehr-chef Soltikow al vanaf 10 augustus 1940 als
"Abwehr-agente" betiteld. Het is een "bekend Hofgeheim" dat
Wilhelmina ook daarom ,zoals ik ook schreef, huisvesting binnen Nederland
weigerde aan Juliana's schoonouders. Armgard moest eerst maar eens
"ont-Duitst" worden', 20 stelde de oude koningin en u zult vast en
zeker begrijpen wat zij daarmee bedoelde. Mijn vader, lid van de verzetsgroep
Albrecht, oud BNV-er, oud BVD-er, gedecoreerd door Bernhard, sprak in dat
verband overigens gewoon over "zuiveren."
Mocht u nog denken dat ik ook Armgards' z.g. "Tolle Lola"-jaren in
het keizerrijk Duitsland verzon, ook dat was de preutse Wilhelmina een doorn in
het oog; ik verwijs u daarvoor naar J.G. Kikkert. "Crisis op
Soestdijk" De Papieren Tijger, 1996).
Mocht u anderszins doelen op Bernhards' plan om Juliana op te doen nemen in '56
in de Wassenaarse Ursula-kliniek en zelf regent te worden voor kroonprinses
Beatris, dan volstaat, het hier alleen maar te verwijzen naar een
BBC-televisie-interview met de prins zelf uit nota bene 1961 dat deze zomer dan
eindelijk door het Nederlandse volk mocht worden bekeken bij VPRO's
"Andere Tijden."
Men vraagt zich af waarom dat zo lang moest duren.
R.V.D.?
Ten laatste wil ik u het werk "De Affaire Sanders" van de RIOD (!) -
mediawerkers Aalders en Hilbrink (Sdu uitgevers 1996) niet onthouden waarin
veel van het bovenstaande uitvoerig op wetenschappelijk verantwoordde wijze
wordt belicht.
Het is, dit alles overlezend, wat professor Arnold Heertje 22 november j.l. in
Het Parool schreef n.a.v. de discussie of Wilhelmina in Londen nu wel of niet
weet heeft gehad van razzia's en jodenvervolgingen in bezet Nederland:
"Liever geschiedvervalsing dan de historische waarheid."
Je zou ook kunnen zeggen: Iemand die feiten absurditeiten noemt, zal vaak
verrast staan.
In afwachting van uw gewaardeerde antwoord en met
vriendelijke groet,
W.P.Hogendoorn
(Tomas Ross)
|