De Brakke Grond

door
Ebru Umar

De voering van zijn jasje is rood. Mooi donkerrood. 'Ik wilde eigenlijk roze, maar heb toch maar voor geel gekozen,' flitst door mijn hoofd. Maar dat was drie jaar geleden. Of was het vier? Aan zijn rechterhand geen ring. Nog steeds niet. Machtig mooie grote handen. Grote handen. Mooie handen. Machtig. Waar hoort die ring?

Op de automatische piloot luister ik naar mijn lunchgenote, hoofdredactrice van een vrouwenblad. Mijn gedachten draaien op volle toeren. Is het 'm wel of niet? Natuurlijk is het hem, maar ik heb 'm al drie jaar niet gezien. En verwacht hem niet nu, niet hier, gewoon niet. Nooit.

Surrealistisch. Zijn tafelgenoot, wie zou dat zijn? Collega, klant, leidinggevende? Twee mannen, strak in het pak, de obligate lunch maar vooral het machtsspel. Dat is wat ik zie. En hem. Hij is oud geworden. Volwassen. Ik ben oud geworden. Maar volwassen? Ze staan op, willen afrekenen. Ze moeten langs onze tafel. En dan ziet hij mij. Een fractie van een seconde aarzelt hij. Ik zie het vanachter mijn zonnebril. Ik zie er goed uit, ik weet het. Om de een of andere reden ben ik vandaag, op mijn vrije dag, in zijn stijl gekleed: donkerblauw pak, witte blouse. Ik snak naar adem maar geef geen kik. Ik geef mijn tafelgenote een antwoord op een vraag die ze me niet stelde. Ze lopen door.

'Wat een pakken!' lacht mijn tafelgenote als de twee heren voorbij lopen.
'Dat is de 2 jaar tranen man,' floep ik eruit.

Ze staart me vol ongeloof aan. 'Dat pak? Lekker terras hebben we uitgekozen.'

Ik glimlach. Ik ben blij dat ik mijn zonnebril op heb.

'Hij heeft een dikke kont Ebru.'

Ik kijk 'm na. Hij heeft O-benen. Ik herinner me opeens dat hij daarover klaagde. Dikke kont? Nog altijd even strak. Alleen ouder.

'Jullie praten niet meer met elkaar?'
'Nee.'

Ik weet dat als ik naar 'm toe was gegaan, zoals je dat met iedereen zou doen, om gedag te zeggen, hij totaal van de kaart zou raken. Zich geen houding zou kunnen geven, wellicht onbeschoft zou reageren ook. In gezelschap van zijn collega/ klant/ leidinggevende, doe je dat iemand niet aan. Na al die jaren denk ik nog steeds vooruit, voor hem.

'Beetje foute gast Ebru, hij had best gedag kunnen zeggen.'
'Nou ja, hij is wel de reden van mijn schrijven. Zonder hem zou ik nooit zijn gaan schrijven.'
'O ik had 'm eigenlijk even moeten bedanken! Wat doet hij?'

Ik wijs naar het kantoorpand waarachter wij lunchen: 'Hij is daar directeur van 't een of ander. En het klinkt helemaal niet naar mij, maar geloof me, hoewel ik dat ooit ook geambieerd heb, zou ik alles voor hem opgegeven hebben. Alles.'
'En dan?'
'Ja en dan... ik zou voor de kinderen zorgen. Had hij bedacht.'
'En jij ging akkoord?'
'Mwah, die discussie hoefden we uiteindelijk niet te voeren. Bovendien geloof ik niet in twee carrieres. Maar wat pas echt pijn doet is dat ik niets meer van hem hoor. Laten we eerlijk zijn, je moet wel heel media-avers zijn om me de afgelopen maanden niet ergens voorbij te hebben zien komen. En er kon geen felicitatie van af. Geen kaartje, telefoontje, sms, gewoon niets. Dat is pas erg.'
'Foute gast dus.'

Als ook wij weglopen is mijn hartslag alweer wat rustiger. Wat maakt dat deze man, een man, je zo van de kaart weet te krijgen? En wat maakt dat je deze man, een man, na jaren ziet, terwijl je de dag ervoor nog aan hem gedacht hebt? En wat maakt dat je deze man, een man, afzet tegen een ander, die je net deze week hebt leren kennen? Wat maakt dat deze man, een man, leidt tot rechtvaardiging van je carrierekeuze?

Waar ik hem zag, zag hij vooral mijn accessoires. Het meisje dat alles al heeft. Had, toen al. 'Het zijn allemaal spullen, dingen, het stelt niets voor, je geeft wat geld aan een winkelier, en in ruil daarvoor krijg je er een schilderij voor terug. Of een tafel, een huis, een auto. Onbelangrijk. Die dingen, dat ben ik niet. Die dingen krijgen hooguit een betekenis omdat ze van mij zijn.' Spullen. Dingen. Goederen. Zo onbelangrijk.

Zo onbelangrijk.

De telefoon. Zou hij.... 'SAAB' zegt het display. Nee natuurlijk niet hij. Het is maar de Saab dealer, waar mijn auto weer 'ns uit logeren is. Sinds de dag dat ik die auto heb – nog geen 1.5 jaar oud- mankeert dat ding iets. Gevoelige electronica, en als vrouw die het gaspedaal weet te vinden trek ik me daar weinig van aan. Maar gisteren leek het me toch wijzer om de auto weer 'ns in te leveren. Met een zucht beantwoord ik de telefoon. Mijn auto doet het weer.

Lekker belangrijk. Mijn hart breekt bij de gedachte dat de 2 jaar tranen meneer vanavond een ander ten huwelijk vraagt. Die er altijd al is geweest. Aan welke hand hoort die ring? Maar mijn auto doet het weer.

Als ik thuiskom schrijf ik mijn column voor Buitenhof. Waar is het misgegaan?

Ebru Umar

ebruutje@hotmail.com

Vorige column Ebru Umar

Inhoud| D.C.Lama | U Schreef | Archief| Service