| "'Ik heb helemaal
niets met Turken, vooral niet met de mannen. Geef mij maar Nederland!' Ze wordt
helemaal kriegel van de eeuwige vraag welk land ze leuker vind. 'In Turkije
schijnt altijd de zon en in Nederland regent het altijd, hoor ik dan. Alsof het
weer een maatstaf is voor het hele land.'"
Het bovenstaande is een citaat uit het in 2002
verschenen boek 'De Gouden Appel' van Jessica Lutz. Het citaat is echter al
jaren daarvoor opgetekend. Ik sta er nog steeds 100% achter.
Jessica Lutz leerde ik kennen toen ik in 1994 tien maanden stage liep in
Istanbul. Zij coverde destijds als journaliste Turkije en het MO voor de GPD,
Elsevier, BBC, NOS en nog vele andere media. Jessica was een omgekeerde
gastarbeider, door haar relatie met een Turkse fotograaf was ze in Istanbul
blijven hangen. Met haar sprak ik destijds het eerst over een schrijvend
bestaan, realiseer ik mij nu. Jessica moest wel om mij lachen, met mijn 24 jaar
vol met praatjes maar duidelijk niet op mijn plek in Istanbul. We hebben altijd
contact gehouden. Ze is opgetogen over mijn besluit om mijn leven een andere
draai te geven en te gaan schrijven: 'Zo'n corporate omgeving heeft me nou
nooit leuk geleken voor, Ebru. Ja, je pakjes vond je leuk, maar dit past voor
mijn gevoel zoveel beter bij!' Jessica woont nog steeds in Istanbul. En is tot
één belangrijke conclusie gekomen: 'nergens in de wereld leeft en
bruist het als in Istanbul'. Zoals het een echte gastarbeider betaamt, flirt ze
met een 'terugkeer naar het land van herkomst' maar eigenlijk heeft ze er wel
rust mee dat ze nooit meer weg zal gaan uit de stad waar ze al 15 jaar
woont.
In haar boek staat nog een belangrijk feit: "Istanbul, je houdt ervan of
je haat het. En eigenlijk doe je het allebei".
En zo
ben ik na tien jaar weer in Istanbul. Istanbul is niet voor iedereen weggelegd.
Je moet haar begrijpen, voelen, beleven. Maar dat vooral willen. Istanbul is
een vrouw, wispelturig, terwijl ze precies weet wat ze wil, onderweg wel'ns
haar geduld verliest, verliefd wordt en zichzelf weer hervindt. Vertrok ik in
1994 bijkans schizofreen maar zeker depressief uit deze stad, nu kijk ik mijn
ogen uit. Het leeft. Het borrelt en bruist als nooit tevoren. Maar uit alles
blijkt dat dit slechts de voorbode is van wat komen gaat. Tien jaar geleden was
Istanbul vervallen maar bloedmooi. Pijn in je hart kreeg je ervan. De verlaten
appartementen op Istiklal hadden potentie, maar Turken houden niet van 'oud en
vergaan'. Dat herinnert aan 'vroeger'. Nieuw en glanzend heet de vooruitgang.
But that was then
Tien jaar verder is duidelijk te zien dat
Istanbul vooruit wil, vooruit gaat. De bloedmooie appartementen op Istiklal,
waar ik me destijds aan vergaapte zijn opgeknapt, of worden opgeknapt en zijn
voor minder dan een ton te koop.
Waar haal ik zo snel een ton vandaan?
Waarom zou ik dat überhaupt willen?
Het Istanbul dat ik achterliet was een dooie bedoening, waar in de achteraf
straatjes een enkele hippe bar te vinden was. Niet gemaakt hip zoals in
Amsterdam, maar hip omdat dat de aard van de Turken is. 'Show me what you've
got' is altijd het credo geweest van de Turkse jeugd. Uitermate verzorgde
mannen en vrouwen, de metrosexuele man is hier uitgevonden. Zien en gezien
worden. Maar tien jaar terug was het uitdragen van plezier en het uitgeven van
geld slechts weggelegd voor een kleine toplaag. Het leven in Istanbul was hard
voor de meeste mensen. Hoewel dat ongetwijfeld nog steeds voor velen geldt,
bruist het leven in Istanbul je uit alle straathoeken tegemoet. Overal vandaan.
Struikelde je tien jaar geleden bijkans nog over bedelende zigeunermeisjes en
lijmsnuivende koerdische jongetjes, nu zijn de kanslozen van de wijk aan de
vingers van een hand te tellen.
Kon je tien jaar geleden nergens buiten zitten, toch vrij wenselijk in een
omgeving waar de temperatuur niet veel kouder wordt dan 25 graden, nu zijn de
achterafstraatjes van Istanbul omgetoverd tot een waar buitenrestaurant. Een
groot gedeelte van de wijk Galata bestaat uit louter terrassen, bars en
restaurants 'La Rue Francaise'. Montmarte, Brussel en Barcelona bijelkaar, maar
dan totaal anders. Turks. Nieuwsgierig naar buiten, open voor het vreemde,
hongerend naar vooruitgang. Turks Turks, niet Nederlands
Turks.
Maar misschien wel het belangrijkste: voelde ik me tien jaar geleden als
duidelijk Europese vrouw belaagd op straat, daar is nu niets meer van over.
Overal vrolijke en hippe vrouwen, al dan niet vergezeld door aangenaam
aantrekkelijke kerels. De drie hoofddoekjes die op een Arabische manier
geknoopt zijn (zeg maar zoals bij ons in Nederland) gaan vergezeld van een
portie make-up die ik nog geen enkele stylist bij mij heb zien toepassen.
Ik ben blij verrast. Dat ik in Istanbul mijn hart zou kunnen ophalen bij de
Turkse designers wist ik al. Maar dat mijn honger in een inspirerende ambiance
gestild zou kunnen worden, had ik niet kunnen vermoeden. Tien jaar geleden was
er weinig tot niets in Istanbul.
Het bekende oude is niet meer, en ook The Marmara trekt me niet. Maar als ik
door de lobby van het "Grand Hotel des Londres", het ándere
hotel uit de film 'Gegen die Wand' loop, kijk ik mijn ogen uit. Het hotel is
schitterend, werkelijk mooier dan het beroemde Pera Palas, dat berucht is door
het verblijf van Agetha Christie en vele andere beroemdheden. Met mij loopt er
nog iemand met een camera om zijn nek, maar ik durf het niet aan om te
fotograferen. Het is té mooi. En dan hoor ik de zin waardoor ik ernstig
aan mijn vastberadenheid over de leukheid van mijn leefomgeving ga twijfelen.
"Voor 50, 75 duizend euro is het heel goed mogelijk om een ruim
appartement te krijgen in Istanbul. Voor een ton heb je het voor het
uitzoeken."
Wonen in Istanbul is me teveel. Maar een pied à terre in Istanbul,
waarom ook niet?
Istanbul is een verslaving die ik niemand toewens. Wat zou ik graag een paar
maanden hier zitten om een leuke actuele inside Istanbul story te
schrijven. Ik weet nog wel een fotograaf die het goed op de plaat kan leggen
ook
Ebru Umar
|