 |
Dit
Houdt Nooit Meer Op
"Dit houdt nooit meer op.
Altijd die regen. En weer loop je naar de spoorbrug, op zoek naar
vlees. Hij zal er staan; verkleed als hoer tegen de muur, panties en
naaldhakken, rode laknagels, lippen geverfd. Betaal hem honderd piek
en neem hem staande, deze hoer. Vergeet niet zijn mond te kussen en
proef zijn natte tong. Onder de lantaarn knippert zijn wimper extra
vals. Hij kokhalst. Heb jij lepra? Eet jij uien? Hij is bang,
doodgewoon. Dood gewoon.
Hij weet dat niemand zijn stem zal horen als straks de trein voorbij
raast, op die rails boven jullie, minnaars onder de brug; dat niemand
zijn stem hoort als jij zijn hoofd tegen de stenen slaat, dadelijk.
Niemand zal weten dat hier een hoer stond op wacht, dat hier een klant
langskwam met een briefje van honderd, dat hier twee Heeren elkaar
kusten... en wie o wie was de echte man? Zolang sloeg jij in op dat
wervende gezicht, dat bloed zijn witte ogen uitspoot, dat zijn pruik
rood werd en plakte aan de muur. Zolang schopte jij in zijn kruis (met
die ijzeren punten van je die glinsteren in het donker) dat hij stierf
van pijn. Zijn tanden blikkeren, een aangeslagen neger in de ring; en
hij jankt als een loopse teef. Waarom hem niet gewoon aan een boom
vastgebonden? Waarom hem niet voor altijd op vakantie geslagen met de
hondenriem? Maar nee, de hoer zal sterven.
Zijn kus werd op jouw ogen salpeter. Zijn hand was de verrader in
jouw broek. En jij, hoerenloper, hondenlikker, jij krijgt een stijve.
Vergeef hem d t nooit: "Heer, hier dient gestraft... "
't Vriest. De koudste nacht van Amsterdam koos jij voor dit verdeeld
genoegen. Straks zullen de rails hierboven van verre al de trein
verraden. Maar voorlopig is 't stil. Straks, als hij ademloos op de
spekgladde stoep ligt, zul jij bibberend over hem heen kruipen,
huilend op zoek naar je geld. Maar voorlopig is dit de liefste hoer;
jij kust zijn nek, jij kust zijn hals...
Waar blijft die trein nou?"
|