Onlangs nam ik in de groninger synagoge een cd in ontvangst met religieuse liederen, geschreven door voorzangers van de joodse gemeente in Groningen uit de negentiende eeuw. Bij die gelegenheid heb ik - zelf niet religieus - gewezen op de betekenis van religie voor maatschappelijke samenhang. In mijn korte toespraak heb ik uitlatingen van het kamerlid Hirsi Ali aangehaald die zij in het televisieprogramma Nova had gedaan. Het ging om snerende opmerkingen over de god van de islamieten tegenover jonge kinderen ("Waar is
Allah nou, ik zie hem nergens.."). En behoorlijk intimiderende opmerkingen tegenover de ouders van deze kinderen, die gebruik makend van een grondwettelijk recht, voor een islamitische school hadden gekozen.
Er is natuurlijk geen direct verband tussen het lot dat de joodse gemeenschap eerder trof en de wijze waarop tegenwoordig ongegeneerd anti-islam gevoelens geventileerd worden. Een dergelijk verband dat de NRC mij in een hoofdredaktioneel artikel toedicht heb ik natuurlijk ook niet gelegd. Maar ik ben er wel van overtuigd dat onverdraagzaamheid alleen maar meer agressie oproept, dan er helaas toch al in deze samenleving rondwaart.
Agressie die vroeger of later tot geweld zal leiden. En, zo voegde ik er in mijn toespraak aan toe, waar onverdraagzaamheid toe kan leiden hoef ik in deze synagoge niet toe te lichten.
Omdat ik meen dat grondrechten, waaronder de vrijheid van godsdienst én van onderwijs vanuit de politiek aktieve verdediging verdienen heb ik mijn zorgen rechtstreeks voorgelegd aan Jozias van Aartsen die voor de politieke koers van de VVD de verantwoordelijkheid draagt.
Niet om een publieke polemiek met de VVD te beginnen, de turbulente publieke discussie vergroot dezer dagen voor velen het gevoel van onveiligheid. Zeker ook niet om een kamerlid de mond te snoeren, maar wel in de hoop dat hij iets zou kunnen doen aan de onverdraagzaamheid, die uit de woorden van mevrouw Hirsi Ali spreekt.
Nu los van het kamerlid en haar fraktievoorzitter: ik maak me echt grote zorgen. Het recht op een eigen school is niet een soort historisch relikwie in onze grondwet. Tussen het geloof, de maatschappelijke oriëntatie, de kijk op mens en samenleving van ouders en hetgeen kinderen op school wordt geleerd (en met welke aanpak) behoort samenhang te zijn. Dat, op basis van de grondwet, het geven van onderwijs in ons land vrij is en dat de overheid alleen bij wet – en voor alle scholen - eisen mag stellen geeft ouders, ook ten opzichte van de staat, een sterke positie. Het zijn immers hun kinderen die zij aan de school toevertrouwen. Door de openbare
school een eigen plaats in dat bestel te geven kunnen ouders de keus maken voor pluriformiteit, dan wel voor een school die nauw aansluit bij hun religie of specifieke onderwijsvisie.
Achterstanden moeten in ieder van die scholen bestreden worden en dat gebeurt natuurlijk ook, al zijn meer investeringen zeker welkom. De vrije keuze voor de eigen school komt islamieten toe zoals ieder ander. En er is een rijksinspektie die er - bij alle scholen - op toe ziet dat men zich aan de wet houdt.
Naast pleidooien islamieten niet toe te staan hun eigen scholen te hebben gaat van uitspraken over het vermeende karakter van de Islam ( "achterlijke cultuur") op z'n minst een intimiderende werking uit. De vrijheid van godsdienst in ons land dient meer te zijn dan het formele recht godsdienstoefeningen te houden. Het gaat er ook om dat respectvol wordt omgegaan met 'andermans' geloof.
Dat brengt me bij de kern van mijn zorgen. Wie met gezag wil optreden tegen uitwassen, bijvoorbeeld tegen politieke islam-fündamentalisten, tegen aanvallen op joodse amsterdammers ,of tegen gedrag waaruit onvoldoende integratie blijkt (bloedwraak), moet wel de wezenlijke waarden van ons land aktiefen positief uitdragen. Moet grondwettelijke vrijheden niet kleineren maar aktief verdedigen, respectvol omgaan met vraagstukken van religie en met het recht op eigen cultuur en identiteit.
Nu dreigt - vaak met een beroep op 'debat' en 'alles moet nu maar eens gezegd worden' – het ene extreme woord het andere uit te lokken.En dat blijft niet bij woorden. Dat gebrek aan behoedzaamheid maakt veel migranten bang. En hen niet alleen.

Jacques Wallage