De Volkskrant 23-02-2001

Aïsja, of hoe verbeelding de dupe werd van een wereldverbeteraar

 

Gerrit Timmers, regisseur van de toneelvoorstelling Aisja, had een voorbeeld moeten nemen aan de film Al-Risala, waarin de profeet Mohammed niet aan de kijker wordt getoond. Was Timmers maar meer kunstenaar dan wereldverbeteraar geweest, stelt Mohammed Benzakour.

DAAR Allah niet wakker ligt van een toneelstuk van Gerrit Timmers, is Aïsja niet godslasterlijk, hooguit moslimslasterlijk. Ook vreemd, want in de nationale bibliotheek van Istanbul treffen we ettelijke miniaturen aan uit vroegere eeuwen waarop Aïsja, onder andere als rebellenleidster, doodleuk staat afgebeeld.
Timmers profileert zich als iemand die `culturen dichter bij elkaar brengt door middel van kennisoverdracht'. Een lovenswaardige houding, ofschoon je die eerder verwacht van een wereldverbeteraar dan van een kunstenaar. Zo legde hij zijn libretto ter goedkeuring voor aan consulaten en bevriende beroepsallochtonen, als zouden zij de moslimgemeenschap of ook maar enigszins de goede smaak representeren. Enfin, met Aïsja heeft hij zich geen wereldverbeteraar en nog minder een kunstenaar getoond.
Laat mij spreken over een kunstwerk dat gedurende de Ramadan wordt uitgezonden op vrijwel alle Arabisch-islamitische tvzenders: de film "Al-Risala "(de boodschap, de brief). Dit bijna vier uur durende epos toont ons op een gestileerde en geromantiseerde wijze de ontstaansgeschiedenis van de islam, met al zij krijgshaftige vernuft, zijn poëzie zijn ontroeringen en heethoofdigheid. We zien hoe de eerste bekeerlingen worden gemarteld en gedood. Een oude vrouw wordt met speren doorboord; een negerslaaf, Bilal, wordt met een zware last op zijn schouders de brandende woestijn ingejaagd, maar luidkeels blijft hij roepen: `Eén enkele God!'
De kijker wordt duidelijk gemaakt dat voor Mohammed bekering een grotere overwinning betekent dan verovering., Triomf na triomf sleept hij binnen, zijn aanhang groeit, navenant neemt de vrees toe van de gezeten klasse, de Kuraisj, afgodenvereerders. Ondanks zijn riante positie volhardt Mohammed in zijn sobere levenswijze; hij slaapt op de grond, vervaardigt zijn sandalen, wast zijn kleding, staat armzaligen te woord en vermijdt consequent elke onmatigheid.
Duidelijk wordt dat hij gevoelens van naastenliefde en rechtvaardigheid wakker roept in de meest verstokte harten, zelfs in die van de nuchtere nomaden. Zodat Arabië, dat voorheen nooit een eenheid was geweest, ten slotte buigt voor het gezag van één man: Mohammed, de profeet van de éne en enige god Allah.

Wat goed genoeg is
voor moslim, is dat
ook voor niet-moslim

Nu is er iets wonderlijks aan de hand met deze tearjerker. De hoofdrolspeler, Mohammed, krijgen we op geen enkele wijze in beeld. Niet één keer zien we zijn gezicht, zijn hand, of ook maar het puntje van zijn baard - we horen niet eens zijn stem! We moeten het doen met een kameel die hij onzichtbaar berijdt; we zien hoe een houten wandelstok, zwevend in de lucht, afgodsbeeldjes vernielt; hoe zijn vazallen hem om consult vragen door in de camera te praten, hoe de camera vanuit zijn gezichtspunt van links naar rechts zwiept als Mohammed van `nee' schudt en inzoomt op datgene wat de profeet aandachtig aanschouwt. En voor de rest moet de kijker maar een beroep doen op zijn eigen verbeelding.
De vraag is of, vanwege dit gedwongen stijlmiddel, de film mislukt is? Of we nu minder afweten over de islamitische ontstaansgeschiedenis en de rol van Mohammed daarin, over zijn ideeën, zijn gevoelens, zijn daden? Integendeel, zelden is een overtuigender portret van Mohammed gemaakt! De regisseur is er in geslaagd om, met inachtneming van een gevoelige islamitische stelregel - het verbod op het uit- of afbeelden van de Profeet - een film te construeren die bij miljoenen moslims en niet-moslims het bloed sneller doet stromen en die, en passant, ongehoord leerzaam is.
Uit een interview blijkt ook dat de regisseur dit verbod niet opvatte als een beperking maar juist als een artistieke uitdaging: 'Ik heb mij suf gepiekerd over de vraag hoe ik ondanks deze beperking een maximaal effect kan bereiken? - een beperking overigens die ik achteraf dankbaar ben'.
De kunst is dus: hoe kan het onzichtbare, het onuitgesprokene prevaleren temidden van het manifeste? - een artistieke habitus die, me dunkt, nastrevenswaardig is. Immers, is een film of boek waarin geen enkele keer de daad zelf wordt getoond respectievelijk expliciet beschreven, doch waarbij alles wordt uitgedrukt in suggesties niet vele malen erotischer.
Het geritsel in het struikgewas is hoorbaar, maar de duisternis ontneemt ieder zicht, waardoor de stem van de fantasie - altijd perverser en opulenter - op hol slaat. De dingen niet bij de naam noemen, niet tonen, met name heilige en seksuele kwesties, is een traditie die misschien niet exclusief, dan toch zeker als karakteristiek geldt voor de Oriëntaalse toneel en literatuurgeschiedenis.
De vertellingen van Duizenden-één-nacht zijn beroemde voorbeelden van hoe een duizelingwekkend boeket van metaforen en woord- en toespelingen, van sluiers, zinnebeelden en filologische uitweidingen heimelijk verwijst naar het minnespel tussen de vrouw en de man, naar de zonden en juveniele uitspattingen. In de liefdespoëzie van Ibn Khafadjah en Ibn al Mu'tazz zijn het rijm, ritme, de onomatopeeën die op de bewegingen van de liefdesrituelen duiden, zonder dat die letterlijk worden weergegeven. De minnaars en zondaars in kwestie krijgen hierdoor iets verhevens, iets begeerlijks, iets krachtigs.
Hoe veel geiler zijn deze Oosterse werken dan bijvoorbeeld het zelfreferentiële lul-kut-kont oeuvre van een Gerardjan Rijnders of Theo Van Gogh? Hoe opwindender zijn de lonkende gazellenogen van het gesluierde gelaat, dan het naakte vertoon van haar slijmerige, onwelriekende liefdesgleuf?
Om Aïsja - Mohammeds' oogappeltje, in wier schoot hij zijn laatste adem uitblies - jengelend, kreunend en heupzwaaiend ten tonele op te voeren, oog in oog met het lodderige publiek, is weinig spannend, flauw zelfs.
Het was boeiender geweest als Timmers Al-Rissala had bestudeerd, en zich had verdiept in de Oriëntaalse (liefdes)poëzie en podiumkunsten. Was hij maar meer kunstenaar en minder wereldverbeteraar, had hij maar van een nood een deugd gemaakt door Aïsja te verbergen en de verbeelding te laten triomferen. Niet omwille religieuze principes, maar volgens goed artistiek gebruik. Want wat goed genoeg is voor de moslim is goed genoeg voor de niet-moslim.

Mohammed Benzakour is publicist

 
de Volkskrant 27-02-2001

De oplichters van Aïsja


 

Als clubblad van de Vijfde Colonne fungeert de Volkskrant met een schreeuwerigheid die weinig te raden overlaat. Vrijdag 23 februari jl. drukte de krant een bijdrage of op de Forum-pagina van de hand van Mohammed Benzakour. Die meneer betoogt met enig omhaal van woorden dat het onmogelijk maken van de opvoering van het toneelstuk "Aïsja" de wereld behoed heeft voor een artistieke mislukking: 'Was Timmer (regisseur van de beoogde voorstelling THVG) maar meer kunstenaar dan wereldverbeteraar geweest'.
Dankzij de terreur van moslim-zijde heb ik "Aïsja" niet kunnen zien. Benzakour evenmin, maar dat weerhoudt hem na lezing van het libretto er niet van om te concluderen: 'Enfin, met Aïsja heeft hij (Timmer) zich geen wereldverbeteraar en nog minder een kunstenaar getoond.'
Tsja; diezelfde conclusie zou ik graag ook willen trekken na het bewuste geval gewoon opgevoerd to hebben gezien. Vooralsnog is dat de vrije burgers van Nederland niet vergund. Dat Benzakour in de Volkskrant terreur en censuur verdedigt met een beroep op zijn artistieke opvattingen, geeft eens temeer aan hoe weinig argumenten meneer in huis heeft. Misschien kan een redacteur van de Volkskrant nog 'ns uitleggen dat in principiële zaken van vrije expressie en meningsuiting het artistieke oordeel er pas toe doet wanneer iedereen die dat wil zonder intimidatie naar het theater kan gaan. En sinds wanneer geldt een zogeheten 'mislukte voorstelling' als verontschuldiging voor het onmogelijk maken van opvoering ervan?
Benzakour stelt ons ten voorbeeld een televisieserie over het leven van Mohammed die in de Arabische wereld groot succes oogstte en waarin de Profeet zelve nooit te zien is. In het voorbijgaan schijnt het geval ook nog 'ns 'ongehoord leerzaam' te zijn. 't Is heel fijn dat de Arabische massa's zulke educatieve godsdienstlessen op het scherm krijgen, maar mijn vraag luidt; wat heeft Gerrit Timmer daar in Nederland mee van doen? Staat hier ergens in de Wet dat wij het Opperwezen of wie daarvoor doorgaat niet aanschouwelijk mogen maken? En waarom kon de opvoering van "Aïsja" in Turijn, waar een grote moslimgemeenschap woont, dan wel mèt profeet en al op de planken komen?
De aap komt uit de mouw als Benzakour schrijft: 'Hoe veel geiler zijn deze Oosterse werken dan bijvoorbeeld het zelf-referentiële lul-kont-kut oeuvre van een Gerard Jan Reinders of Theo van Gogh? Hoe opwindender zijn de lonkende gazellenogen van het gesluierde gelaat, dan het naakte vertoon van haar slijmerige, onwelriekende liefdesgleuf?'
Ik zou niet voetstoots durven aannemen dat de doos van de juffrouwen Elatik dezer wereld 'slijmerig' en 'onwelriekend' is en het zelfvoldane gekwebbel van Benzakour pepert ons eens temeer in hoe onderworpen aan de lompste fantasieën onze moslimzusters onder het juk van de geitenneuker door moeten. Onze deernis gaat naar de dames uit.
Over mijn door Benzakour als 'zelfreferentiëel lul-kut-kont' aangemerkte oeuvre vraag ik me af of meneer ooit de moeite nam ook maar één filmpje tot zich te nemen. Als iemand op verlegen-kuise wijze vorm heeft geprobeerd te geven aan de eeuwige loopgravenoorlog tussen mannen en vrouwen - waarbij mijn sympathie doorgaans bij het zwakke geslacht ligt - ben-ik-'t-zei-de-gek. Naar mijn opvatting is alles wat je niet laat zien spannender dan expliciet getoond. Ik heb één keer een mannelijk geslachtsdeel voor de camera gehaald, in de film "Loos", die een nachtclub toont waarin een blinde dame achter haar geleidehond het podium afsukkelt om haar piemel vast to spijkeren aan een piano. Zo'n aardigheidje kunnen wij toch bezwaarlijk rangschikken onder de ranzigheid die meneer mij in de voeten probeert te schuiven. GJ Rijnders lijkt mij heel wel in staat tot enig gewapper met snikkels, maar ook bij hem heb ik nooit het gevoel dat op profane wijze de liefdesdaad veroordeeld wordt. Kon ik dat ook maar denken van Benzakour die als 'publicist' vermomde Middeleeuwer.
In 't echt schijnt Aïsja een meisje van dertien te zijn geweest. Regisseur Timmer was zo bevreesd om op lange tenen te gaan staan dat 'ie haar braaf twintig maakte, zo een al te menselijk aspect van de Lolita-liefhebber die zich Profeet waande, veronachtzamend.
Benzakour maakt duidelijk wat vrije mensen van vrouwen-liefhebbers van zijn slag te verwachten hebben: totale onderwerping. Er was een tijd dat de islam veel verdraagzamer was dan het christendom. Jammer genoeg is dat lang geleden. En keer op keer blijkt dat de gecompliceerde tolerantie die het Westen in ieder geval in naam predikt, te moeilijk om mee te leven is voor de agressieve achterlijken van Allah. In Marrokko tiert de vrije meningsuiting vooral welig in de kerkers van de Koning. Geen wonder dat Benzakour met geen woord rept over mijn recht als Nederlander om de voorstelling van Timmer te zien; ik ben een tweederangsburger geworden in eigen land.
De Volkskrant had niet duidelijker kunnen zijn.

Theo van Gogh

 

Nog even alles op een rijtje


Artkel de Volkskrant 7-12-2000

Brief aan Fatima Elatik
10-12-2000

Brief aan Bea Irik
14-12-2000

Brief aan Rick van der Ploeg
02-01-2001

Briefwisseling Bea Irik en Theo van Gogh
24 en 26-01-2001

Briefwisseling Bea Irik en Theo van Gogh
27 en 28-01-20001

Opmerkelijke e-mail
11-02-2001

Inhoud