Gerrit Timmers, regisseur van de
toneelvoorstelling Aisja, had een voorbeeld moeten nemen aan de film Al-Risala,
waarin de profeet Mohammed niet aan de kijker wordt getoond. Was Timmers maar
meer kunstenaar dan wereldverbeteraar geweest, stelt Mohammed
Benzakour.
DAAR Allah niet wakker ligt van een toneelstuk
van Gerrit Timmers, is Aïsja niet godslasterlijk, hooguit
moslimslasterlijk. Ook vreemd, want in de nationale bibliotheek van Istanbul
treffen we ettelijke miniaturen aan uit vroegere eeuwen waarop Aïsja,
onder andere als rebellenleidster, doodleuk staat afgebeeld.
Timmers profileert zich als iemand die `culturen dichter bij elkaar brengt door
middel van kennisoverdracht'. Een lovenswaardige houding, ofschoon je die
eerder verwacht van een wereldverbeteraar dan van een kunstenaar. Zo legde hij
zijn libretto ter goedkeuring voor aan consulaten en bevriende
beroepsallochtonen, als zouden zij de moslimgemeenschap of ook maar enigszins
de goede smaak representeren. Enfin, met Aïsja heeft hij zich geen
wereldverbeteraar en nog minder een kunstenaar getoond.
Laat mij spreken over een kunstwerk dat gedurende de Ramadan wordt uitgezonden
op vrijwel alle Arabisch-islamitische tvzenders: de film "Al-Risala
"(de boodschap, de brief). Dit bijna vier uur durende epos toont ons op
een gestileerde en geromantiseerde wijze de ontstaansgeschiedenis van de islam,
met al zij krijgshaftige vernuft, zijn poëzie zijn ontroeringen en
heethoofdigheid. We zien hoe de eerste bekeerlingen worden gemarteld en gedood.
Een oude vrouw wordt met speren doorboord; een negerslaaf, Bilal, wordt met een
zware last op zijn schouders de brandende woestijn ingejaagd, maar luidkeels
blijft hij roepen: `Eén enkele God!'
De kijker wordt duidelijk gemaakt dat voor Mohammed bekering een grotere
overwinning betekent dan verovering., Triomf na triomf sleept hij binnen, zijn
aanhang groeit, navenant neemt de vrees toe van de gezeten klasse, de Kuraisj,
afgodenvereerders. Ondanks zijn riante positie volhardt Mohammed in zijn sobere
levenswijze; hij slaapt op de grond, vervaardigt zijn sandalen, wast zijn
kleding, staat armzaligen te woord en vermijdt consequent elke onmatigheid.
Duidelijk wordt dat hij gevoelens van naastenliefde en rechtvaardigheid wakker
roept in de meest verstokte harten, zelfs in die van de nuchtere nomaden. Zodat
Arabië, dat voorheen nooit een eenheid was geweest, ten slotte buigt voor
het gezag van één man: Mohammed, de profeet van de éne en
enige god Allah.
Wat goed genoeg is
voor moslim, is dat
ook voor niet-moslim
Nu is er iets wonderlijks aan de hand met deze tearjerker. De
hoofdrolspeler, Mohammed, krijgen we op geen enkele wijze in beeld. Niet
één keer zien we zijn gezicht, zijn hand, of ook maar het puntje
van zijn baard - we horen niet eens zijn stem! We moeten het doen met een
kameel die hij onzichtbaar berijdt; we zien hoe een houten wandelstok, zwevend
in de lucht, afgodsbeeldjes vernielt; hoe zijn vazallen hem om consult vragen
door in de camera te praten, hoe de camera vanuit zijn gezichtspunt van links
naar rechts zwiept als Mohammed van `nee' schudt en inzoomt op datgene wat de
profeet aandachtig aanschouwt. En voor de rest moet de kijker maar een beroep
doen op zijn eigen verbeelding.
De vraag is of, vanwege dit gedwongen stijlmiddel, de film mislukt is? Of we nu
minder afweten over de islamitische ontstaansgeschiedenis en de rol van
Mohammed daarin, over zijn ideeën, zijn gevoelens, zijn daden?
Integendeel, zelden is een overtuigender portret van Mohammed gemaakt! De
regisseur is er in geslaagd om, met inachtneming van een gevoelige islamitische
stelregel - het verbod op het uit- of afbeelden van de Profeet - een film te
construeren die bij miljoenen moslims en niet-moslims het bloed sneller doet
stromen en die, en passant, ongehoord leerzaam is.
Uit een interview blijkt ook dat de regisseur dit verbod niet opvatte als een
beperking maar juist als een artistieke uitdaging: 'Ik heb mij suf gepiekerd
over de vraag hoe ik ondanks deze beperking een maximaal effect kan bereiken? -
een beperking overigens die ik achteraf dankbaar ben'.
De kunst is dus: hoe kan het onzichtbare, het onuitgesprokene prevaleren
temidden van het manifeste? - een artistieke habitus die, me dunkt,
nastrevenswaardig is. Immers, is een film of boek waarin geen enkele keer de
daad zelf wordt getoond respectievelijk expliciet beschreven, doch waarbij
alles wordt uitgedrukt in suggesties niet vele malen erotischer.
Het geritsel in het struikgewas is hoorbaar, maar de duisternis ontneemt ieder
zicht, waardoor de stem van de fantasie - altijd perverser en opulenter - op
hol slaat. De dingen niet bij de naam noemen, niet tonen, met name heilige en
seksuele kwesties, is een traditie die misschien niet exclusief, dan toch zeker
als karakteristiek geldt voor de Oriëntaalse toneel en
literatuurgeschiedenis.
De vertellingen van Duizenden-één-nacht zijn beroemde voorbeelden
van hoe een duizelingwekkend boeket van metaforen en woord- en toespelingen,
van sluiers, zinnebeelden en filologische uitweidingen heimelijk verwijst naar
het minnespel tussen de vrouw en de man, naar de zonden en juveniele
uitspattingen. In de liefdespoëzie van Ibn Khafadjah en Ibn al Mu'tazz
zijn het rijm, ritme, de onomatopeeën die op de bewegingen van de
liefdesrituelen duiden, zonder dat die letterlijk worden weergegeven. De
minnaars en zondaars in kwestie krijgen hierdoor iets verhevens, iets
begeerlijks, iets krachtigs.
Hoe veel geiler zijn deze Oosterse werken dan bijvoorbeeld het
zelfreferentiële lul-kut-kont oeuvre van een Gerardjan Rijnders of Theo
Van Gogh? Hoe opwindender zijn de lonkende gazellenogen van het gesluierde
gelaat, dan het naakte vertoon van haar slijmerige, onwelriekende
liefdesgleuf?
Om Aïsja - Mohammeds' oogappeltje, in wier schoot hij zijn laatste adem
uitblies - jengelend, kreunend en heupzwaaiend ten tonele op te voeren, oog in
oog met het lodderige publiek, is weinig spannend, flauw zelfs.
Het was boeiender geweest als Timmers Al-Rissala had bestudeerd, en zich had
verdiept in de Oriëntaalse (liefdes)poëzie en podiumkunsten. Was hij
maar meer kunstenaar en minder wereldverbeteraar, had hij maar van een nood een
deugd gemaakt door Aïsja te verbergen en de verbeelding te laten
triomferen. Niet omwille religieuze principes, maar volgens goed artistiek
gebruik. Want wat goed genoeg is voor de moslim is goed genoeg voor de
niet-moslim.
Mohammed Benzakour is publicist
|
Als clubblad van de Vijfde Colonne fungeert de Volkskrant
met een schreeuwerigheid die weinig te raden overlaat. Vrijdag 23 februari jl.
drukte de krant een bijdrage of op de Forum-pagina van de hand van Mohammed
Benzakour. Die meneer betoogt met enig omhaal van woorden dat het onmogelijk
maken van de opvoering van het toneelstuk "Aïsja" de wereld
behoed heeft voor een artistieke mislukking: 'Was Timmer (regisseur van de
beoogde voorstelling THVG) maar meer kunstenaar dan wereldverbeteraar geweest'.
Dankzij de terreur van moslim-zijde heb ik "Aïsja" niet kunnen
zien. Benzakour evenmin, maar dat weerhoudt hem na lezing van het libretto er
niet van om te concluderen: 'Enfin, met Aïsja heeft hij (Timmer) zich geen
wereldverbeteraar en nog minder een kunstenaar getoond.'
Tsja; diezelfde conclusie zou ik graag ook willen trekken na het bewuste geval
gewoon opgevoerd to hebben gezien. Vooralsnog is dat de vrije burgers van
Nederland niet vergund. Dat Benzakour in de Volkskrant terreur en censuur
verdedigt met een beroep op zijn artistieke opvattingen, geeft eens temeer aan
hoe weinig argumenten meneer in huis heeft. Misschien kan een redacteur van de
Volkskrant nog 'ns uitleggen dat in principiële zaken van vrije expressie
en meningsuiting het artistieke oordeel er pas toe doet wanneer iedereen die
dat wil zonder intimidatie naar het theater kan gaan. En sinds wanneer geldt
een zogeheten 'mislukte voorstelling' als verontschuldiging voor het onmogelijk
maken van opvoering ervan?
Benzakour stelt ons ten voorbeeld een televisieserie over het leven van
Mohammed die in de Arabische wereld groot succes oogstte en waarin de Profeet
zelve nooit te zien is. In het voorbijgaan schijnt het geval ook nog 'ns
'ongehoord leerzaam' te zijn. 't Is heel fijn dat de Arabische massa's zulke
educatieve godsdienstlessen op het scherm krijgen, maar mijn vraag luidt; wat
heeft Gerrit Timmer daar in Nederland mee van doen? Staat hier ergens in de Wet
dat wij het Opperwezen of wie daarvoor doorgaat niet aanschouwelijk mogen
maken? En waarom kon de opvoering van "Aïsja" in Turijn, waar
een grote moslimgemeenschap woont, dan wel mèt profeet en al op de
planken komen?
De aap komt uit de mouw als Benzakour schrijft: 'Hoe veel geiler zijn deze
Oosterse werken dan bijvoorbeeld het zelf-referentiële lul-kont-kut oeuvre
van een Gerard Jan Reinders of Theo van Gogh? Hoe opwindender zijn de lonkende
gazellenogen van het gesluierde gelaat, dan het naakte vertoon van haar
slijmerige, onwelriekende liefdesgleuf?'
Ik zou niet voetstoots durven aannemen dat de doos van de juffrouwen Elatik
dezer wereld 'slijmerig' en 'onwelriekend' is en het zelfvoldane gekwebbel van
Benzakour pepert ons eens temeer in hoe onderworpen aan de lompste
fantasieën onze moslimzusters onder het juk van de geitenneuker door
moeten. Onze deernis gaat naar de dames uit.
Over mijn door Benzakour als 'zelfreferentiëel lul-kut-kont' aangemerkte
oeuvre vraag ik me af of meneer ooit de moeite nam ook maar één
filmpje tot zich te nemen. Als iemand op verlegen-kuise wijze vorm heeft
geprobeerd te geven aan de eeuwige loopgravenoorlog tussen mannen en vrouwen -
waarbij mijn sympathie doorgaans bij het zwakke geslacht ligt -
ben-ik-'t-zei-de-gek. Naar mijn opvatting is alles wat je niet laat zien
spannender dan expliciet getoond. Ik heb één keer een mannelijk
geslachtsdeel voor de camera gehaald, in de film "Loos", die een
nachtclub toont waarin een blinde dame achter haar geleidehond het podium
afsukkelt om haar piemel vast to spijkeren aan een piano. Zo'n aardigheidje
kunnen wij toch bezwaarlijk rangschikken onder de ranzigheid die meneer mij in
de voeten probeert te schuiven. GJ Rijnders lijkt mij heel wel in staat tot
enig gewapper met snikkels, maar ook bij hem heb ik nooit het gevoel dat op
profane wijze de liefdesdaad veroordeeld wordt. Kon ik dat ook maar denken van
Benzakour die als 'publicist' vermomde Middeleeuwer.
In 't echt schijnt Aïsja een meisje van dertien te zijn geweest. Regisseur
Timmer was zo bevreesd om op lange tenen te gaan staan dat 'ie haar braaf
twintig maakte, zo een al te menselijk aspect van de Lolita-liefhebber die zich
Profeet waande, veronachtzamend.
Benzakour maakt duidelijk wat vrije mensen van vrouwen-liefhebbers van zijn
slag te verwachten hebben: totale onderwerping. Er was een tijd dat de islam
veel verdraagzamer was dan het christendom. Jammer genoeg is dat lang geleden.
En keer op keer blijkt dat de gecompliceerde tolerantie die het Westen in ieder
geval in naam predikt, te moeilijk om mee te leven is voor de agressieve
achterlijken van Allah. In Marrokko tiert de vrije meningsuiting vooral welig
in de kerkers van de Koning. Geen wonder dat Benzakour met geen woord rept over
mijn recht als Nederlander om de voorstelling van Timmer te zien; ik ben een
tweederangsburger geworden in eigen land.
De Volkskrant had niet duidelijker kunnen zijn.
Theo van Gogh
|