R.I.P.

Laat duizend champagnekurken knallen!

(W.G.C. Mijnssen 1941 - 1999)


Sinds Sonja Barend niet meer dat schelpje in haar oor draagt waardoor Ellen Blazer haar vraagjes kan influisteren, mis ik de gedrevenheid van de ontketende gelovigen van het anti-discriminatie-front. Mevrouw Barend diende destijds de klacht in waardoor ik negeneneenhalf jaar voor de rechter kwam om mezelf te verdedigen tegen de beschuldiging 'een volksdeel' beledigd te hebben, dat wil zeggen het joodse, naar aanleiding van een beschouwing over het gebabbel van Leon de Winter. En hoewel uiteindelijk definitieve vrijspraak volgde, verwonder ik me tot de dag van vandaag over de juridische achtervolging die het Openbaar Ministerie jarenlang inzette jegens mijn persoontje. Zo werd ik in den beginne zowel voor de Kanton' als Arrondissements-rechtbank vrijgesproken en was 't toch waarlijk geen gewoonte voor het OM om in zaken van Vrije Meningsuiting star vol te houden terwijl de rechters haar aanklacht verwierpen. Jurisprudentie leert dat in voorkomende gevallen ontslag van rechtsvervolging regel is. Maar formeel gesproken kan het OM natuurlijk doorgaan tot Sint Juttemis, tot drie keer toe voor de Hoge Raad bijvoorbeeld.
Het fanatisme van het OM kwam bij meester Mijnssen vandaan, Officier belast met discriminatie-zaken. Dit werd me pas goed duidelijk toen ik Mijnssen na afloop van de zoveelste zitting "Tevreden?" hoorde vragen aan de Heer Richard Stein van het STIBA, één van de zelfbenoemde pleitbezorgers van mijn veroordelingen. 't Leek mij nogal ongebruikelijk dat het OM zich zo in het stof wentelde voor een gebrekkig Nederlands sprekende meneer van Amerikaanse afkomst die voorop liep bij het gepeupel dat "Het Vuil, de Stad & de Dood" wilde verbieden en al helemaal niet in staat bleek de subtiliteiten in mijn tekst op juiste waarde te schatten. Maar Mijnssen ging jaren door, op verzoek van de STIBA.
Mijn veroordelingen stonden op de voorpagina van NRC-Handelsblad en richtten veel meer schade aan dan de opgelegde boete, mijn vrijspraken op pagina zeven links onderaan. En hoewel je je weleens afvroeg welk groter belang dan de carrière van meester Mijnssen met dit alles gemoeid was, kreeg de hele kermis iets kafkaësk; de beschuldiging bleef maar terug komen.
Mijnssen kreeg z'n promotie ondanks mijn uiteindelijke vrijspraak, en dat gunde ik hem van harte, getuige een stukje in HP/De Tijd van mijn hand waarin meneer als 'de domste hondenkop' van Den Haag werd begroet. Toen mocht ik het genoegen smaken Mevrouw Mijnssen aan de lijn te krijgen, die verontwaardigd was over 'deze minne kwalificatie'. Ik probeerde Mevrouw uit te leggen dat als antisemiet te worden gebrandmerkt op grond van een onterechte, met juridisch kunst en vliegwerk in elkaar gezette beschuldiging, toch ook niet prettig was, maar het wezen was onvermurwbaar: "Ik vind wat U schrijft schandelijk. Mijn man heeft daar last van. Hoe durft U te twijfelen aan zijn integriteit?"
Tsja... Vandaag lees ik in Het Parool een ronkende necrologie over Mijnssen, die voortaan in zijn graf het fascisme van de zwaartekracht mag gaan aanklagen. Wie wil weten hoe een rechtssysteem misbruikt kan worden in handen van schuimbekkende carrièremakers, zou voor de aardigheid 'ns de loopbaan van deze Willem Godfridus Cornelius aan een studie moeten onderwerpen. Van het Derde Rijk tot aan de Nederlandse jaren tachtig, strebers blijven strebers.
Thans tintelt de champagne feestelijk en heb ik geproost op meneer's gezondheid.
Ik spreek de hoop uit dat - mocht er een hel zijn - meester Mijnssen nog maar lang zal branden. Nu Mevrouw Barend nog.



Lees ook de column 'Een procesverbaal'.


Inhoud | Column | U Schreef | Archief | Service