| Sinds Sonja Barend niet meer dat schelpje in haar oor
draagt waardoor Ellen Blazer haar vraagjes kan influisteren, mis ik de
gedrevenheid van de ontketende gelovigen van het anti-discriminatie-front.
Mevrouw Barend diende destijds de klacht in waardoor ik negeneneenhalf jaar
voor de rechter kwam om mezelf te verdedigen tegen de beschuldiging 'een
volksdeel' beledigd te hebben, dat wil zeggen het joodse, naar aanleiding van
een beschouwing over het gebabbel van Leon de Winter. En hoewel uiteindelijk
definitieve vrijspraak volgde, verwonder ik me tot de dag van vandaag over de
juridische achtervolging die het Openbaar Ministerie jarenlang inzette jegens
mijn persoontje. Zo werd ik in den beginne zowel voor de Kanton' als
Arrondissements-rechtbank vrijgesproken en was 't toch waarlijk geen gewoonte
voor het OM om in zaken van Vrije Meningsuiting star vol te houden terwijl de
rechters haar aanklacht verwierpen. Jurisprudentie leert dat in voorkomende
gevallen ontslag van rechtsvervolging regel is. Maar formeel gesproken kan het
OM natuurlijk doorgaan tot Sint Juttemis, tot drie keer toe voor de Hoge Raad
bijvoorbeeld.
Het fanatisme van het OM kwam bij meester Mijnssen vandaan, Officier belast met
discriminatie-zaken. Dit werd me pas goed duidelijk toen ik Mijnssen na afloop
van de zoveelste zitting "Tevreden?" hoorde vragen aan de Heer
Richard Stein van het STIBA, één van de zelfbenoemde
pleitbezorgers van mijn veroordelingen. 't Leek mij nogal ongebruikelijk dat
het OM zich zo in het stof wentelde voor een gebrekkig Nederlands sprekende
meneer van Amerikaanse afkomst die voorop liep bij het gepeupel dat "Het
Vuil, de Stad & de Dood" wilde verbieden en al helemaal niet in staat
bleek de subtiliteiten in mijn tekst op juiste waarde te schatten. Maar
Mijnssen ging jaren door, op verzoek van de STIBA.
Mijn veroordelingen stonden op de voorpagina van NRC-Handelsblad en richtten
veel meer schade aan dan de opgelegde boete, mijn vrijspraken op pagina zeven
links onderaan. En hoewel je je weleens afvroeg welk groter belang dan de
carrière van meester Mijnssen met dit alles gemoeid was, kreeg de hele
kermis iets kafkaësk; de beschuldiging bleef maar terug komen.
Mijnssen kreeg z'n promotie ondanks mijn uiteindelijke vrijspraak, en dat gunde
ik hem van harte, getuige een stukje in HP/De Tijd van mijn hand waarin meneer
als 'de domste hondenkop' van Den Haag werd begroet. Toen mocht ik het genoegen
smaken Mevrouw Mijnssen aan de lijn te krijgen, die verontwaardigd was over
'deze minne kwalificatie'. Ik probeerde Mevrouw uit te leggen dat als
antisemiet te worden gebrandmerkt op grond van een onterechte, met juridisch
kunst en vliegwerk in elkaar gezette beschuldiging, toch ook niet prettig was,
maar het wezen was onvermurwbaar: "Ik vind wat U schrijft schandelijk.
Mijn man heeft daar last van. Hoe durft U te twijfelen aan zijn
integriteit?"
Tsja... Vandaag lees ik in Het Parool een ronkende necrologie over Mijnssen,
die voortaan in zijn graf het fascisme van de zwaartekracht mag gaan aanklagen.
Wie wil weten hoe een rechtssysteem misbruikt kan worden in handen van
schuimbekkende carrièremakers, zou voor de aardigheid 'ns de loopbaan
van deze Willem Godfridus Cornelius aan een studie moeten onderwerpen. Van het
Derde Rijk tot aan de Nederlandse jaren tachtig, strebers blijven strebers.
Thans tintelt de champagne feestelijk en heb ik geproost op meneer's
gezondheid.
Ik spreek de hoop uit dat - mocht er een hel zijn - meester Mijnssen nog maar
lang zal branden. Nu Mevrouw Barend nog.
|