27-12-2003
De twee Maartjes
Omdat ik al jaren vrij met de ene Maartje had
ik er aardigheid in toen ik een paar maanden geleden een andere Maartje
tegenkwam ook haar te verschalken. Of 't volgens de regels van de kunst is om
een dame te verleiden met als eerste impuls dat 't zo leuk staat om in je
dagboek te kunnen noteren: "11.30 - Maartje 2 - Amstel-hotel, 22.30 -
Maartje 1 - thuis." - weet ik niet, maar 't had wat.
Maartje 1 leerde ik kennen toen ik met Menno Buch een reportage maakte voor TV
van de fanclub Willem Alexander. Er liepen tien enigszins geschuffelde dames in
het wit rond - kirrend "Alex!, Alex!" -, maar zij keek enigszins
donker en leek me stoned. Om 't maar 'ns deftig te zeggen: "Haar ogen
hadden veel gezien".
Zij werd het onderwerp van mijn affecties en dat had alles te maken met de
hongerigheid van het roofdier waarmee ze me omstrengelde, O eenzaamste prinses
die ik ooit tegen kwam, lang, trots en zo gulzig naar liefde dat iedere keer
dat we ons opsloten 't voelde of ze wanhopig genegenheid kwam bijtanken, roos
in een zelf geschapen woestijn.
Dit vastgesteld hebbende gebiedt de eerlijkheid me te verklaren dat wat voor
deze Maartje gold, natuurlijk evenzeer mijn persoon'tje bewoog, maar dat had U,
verstandige lezer, al begrepen. Als ik haar in m'n armen neem leg ik even m'n
oor te luister op dat hart van d'r, een opgefokte tikker zoals alleen een ware
speedfreak die bezit. Haar prachtige lichaam is van tatoes voorzien, ze heeft
Spaanse ogen en een verwoestende glimlach, 23 jaar, moeder van een meisje van
bijna tien dat zich niet meer liefde zou kunnen wensen.
Maartjes huis zit vol met reptielen, slangen en zo, kameleons, een vogelspin en
dan ook nog honden, poezen en een tamme rat. Hoewel haar stem aan de telefoon
me onmiddellijk het bewijs van liefde tussen de benen schenkt, moet ik toegeven
dat de gedachte aan de rat die mogelijk mijn reet zou likken als ik de Eeuwige
Beweging in haar volvoerde, kleine Theo soms het kopje doet hangen.
Niet meer neuken dus in Eindhoven, maar alhiero, omringd door het LSD-achtige
groen van mijn slaapkamer op de Pythagorasstraat. Ik vertel haar altijd dat zij
en ik de meest verlaten mensen van deze wereld zijn, alsof we levenslang naakt
opgesloten zitten in een apenkooi te Artis, en kleine kinderen naar ons wijzen.
Wat deze Maartje en ik-zei-de-gek delen is de innerlijke overtuiging verloren
te zijn, zekerheid die er bij ons als kinderen al ingeramd is, al bedoel ik dat
niet letterlijk. Wij zijn rampentouristen die genotvol staan te wankelen bij
ons eigen ravijn; de stilte van beneden suist ons tegemoet. Enfin, hoe vreemd
't ook klinkt, zulks schept een band. Ik heb heel mijn slordige leven het
genoegen gesmaakt hartstocht van de andere kunne te hebben mogen ontvangen
alsof 't een nooit leeg lopende emmer betrof waarmee onbeperkt geplensd werd.
Voor die val je omdat ze huilt als ze klaarkomt, voor deze omdat ze haar ogen
gesloten houdt; wie ben ik als eenvoudige toeschouwer om me geen lekkerbek te
wanen? Ik prik de gezichten van de dames op voor m'n geestesoog, ik verzamel
vlinders, ik ben de
psychopaat die ontroerd wil worden. En nog altijd dat knagende gevoel na een
week; Maartje, waar ben je? Soms, als we ook voor ons doen hartstochtelijk
verstrengeld zijn geweest, valt ze in slaap om pas veertien uur later wakker te
worden.
Ik ben zo ijdel te veronderstellen dat ik niet alleen haar ergste nachtmerrie
ben - aangetast door de bacil der genegenheid -, maar ook, en vooral, de meest
betrouwbare oplichter in haar leven. Als ze vraagt of ik van haar hou, zeg ik
naar waarheid Ja en hoewel ik natuurlijk lieg als ze vervolgens informeert of
ze de Enige is, voelt 't wel zo, alsof zij de enige is die er werkelijk toe
doet, bedoel ik. In zekere zin ben ik verslaafd aan haar, dat wil zeggen, ik
zou me geen raad weten als ze weg was en in paniek verkeren als ze morgen bij
me introk. Ik zal nog jaren naar haar verlangen, iedere morgen als ik wakker
word weer, in de Goddelijke zekerheid dat ze volgende week weer langs komt. Hou
van me, ik weet nog wel zo'n spelletje.
Maartje 2 kwam in mijn leven toen ik op de boot te wachten stond die me zou
brengen naar een met veel subsidiegeld en nobele bedoelingen opgezet Tribunaal
waarvoor ik in de rol van Peter Stuyvesant ondervraagd zou worden door Adelheid
Roosen en Ed van Thijn.
Dat ging ongeveer zo:"Mijnheer Stuyvesant, hoe dacht U over Uw
slaven?"
"Vee, mijnheer Van Thijn!"
En ik legde uit dat mijn vrouw de gesel der kinderloosheid niet langer dragen
kon en twee zwarte kinderen adopteerde, zoals de echte meneer & mevrouw
Stuyvesant inderdaad deden. Maar daar stond ze en Suzan, mijn open wond die me
maar niet naar Australië krijgt maar die ik helaas wel mis, want zo gaan
die dingen, de vorstelijke glimlach van Suzan werd breder toen ze me kijken zag
naar deze Maartje, Maartje 2. Vrouw van mijn leeftijd nog wel, grote borsten,
'een dame met karakter' zoals in sommige kringen gezegd wordt met een schuin
oog op de prammen. Ik was verkocht toen ze meldde Maartje te heten; wie, zoals
ik, van z'n leven een kunstwerk probeert te maken, kan niet om z'n Dagboek
heen.
Een wild, sexy gezicht, laarzen, lange overjas, pet op, een Volkscommissaris
die de Radenrepubliek toespreekt... en vooral ook ogen die als een mes naar m'n
keel sprongen.
Waarom val je voor iemand?
Omdat ze naar je opkijkt 'als een stervend paard', zoals Elsschot onsterfelijk
maakte? Omdat je vindt dat ze lekker ruikt, bijvoorbeeld; soms kan
één veeg van zweet, het juiste zoete parfum en een mentholsigaret
het ventje betoveren.
De volgende dag vertrok ik naar Toronto, vanwege m'n film en een oude vlam,
maar kon toch niet nalaten als eerste haar te bellen vanaf m'n hotelkamer:
"Ik moet de hele tijd aan je denken!"
Enzovoorts, enzovoorts.
't Biedt zekere voordelen als wij op toppen van de hartstocht
"Maartje!" kunnen fluisteren als we aan de Ander denken zonder de
Eén te beledigen. Nu ja, 't was de moeite van het proberen waard en voor
ik 't wist raakte ik verzeild in iets waarvan men als verstandige volwassene
meteen moet weten, 't màg niet, 't kàn niet. Ga maar na; Maartje
2, dol op haar kinderen, dol op haar man die ze in het kader van de ziekte die
Eerlijkheid heet onmiddellijk op de hoogte stelde van ons slippertje. Mannetje
verdrietig, Maartje verdrietig ("Hij trekt 't niet"), gevolgd door
die onnavolgbare logica waarom ik m'n hele leven van vrouwen zal blijven
houden: "Hij gaat nooit vreemd en dat is 'm geraden ook!"
Ik was maîtresse van Maartje 2, dat wil zeggen, ik paste me aan haar
agenda aan en was zelfs bereid me overdag te bezondigen aan de liefdesdaad. Er
kleven veel voordelen aan de omgang met meisjes, al was 't maar omdat de meeste
vrouwen van mìjn leeftijd gescheiden zijn, of anderszins teleurgesteld
en dan ben jìj, en jij alleen, de Man die alles goed zal maken. Hoed U
voor de overrijpe vrucht die in Uw eerzame mannenschoot valt.
Enfin, wat gebeuren moet, gebeure, en daar lag ik, weerloos als een vrouw
overgeleverd aan zoveel vulkanische tederheid. Maartje 1, mager en gesloten,
Maartje 2, romig en van haar hart geen moordkuil makend. Waarom heeft de grote
Scenarioschrijver Hierboven voor ons bedacht dat maar één de
liefste kan zijn? Maartje, O Maartje, mag ik jullie missen?
Inderdaad, wij zijn 'stakkerig wijs' (Nescio), volgende week komt Maartje 1 mij
weer offeren in haar tempel. En Maartje 2 heeft voor het Gezin gekozen - gelijk
heeft ze - met het verzoek haar niet meer te bellen, 'want daar word ik zo
verdrietig van...' In dit verslag had ik de namen natuurlijk moeten veranderen
in April, maar ik geloof in de geilheid van namen en voor mij is 'Maartje' van
een exquise tuttigheid, 'Maartje' klinkt als een plooirok, klinkt naar een
eenzame vrouw in Wassenaar. En de ironie wil, 't zou me verbazen mocht ik ooit
twee wildere types tegenkomen dan deze twee Maartjes, die ik beiden zelfs
'hippieachtig' willen noemen, U weet wel, 'hippie', rijkeluiskind dat de ruiten
ingooit bij het bedrijf waar het later commissaris wordt.
Ik geloof niet in trouw omdat ik ademloos wakker zou liggen van de gedachte aan
al de Maartjes die aan m'n neus voorbij zouden gaan. Maar... dat doen ze nu
ook, dus ach... Het concept van Trouw, 't heeft wel iets, vooral om goede sier
mee te maken en dus te liegen uit genegenheid. Vrouwen worden er meestal
opgewonden van. Maartje 2 is terug naar haar liefhebbende man en kinderen,
misschien heeft onze affairette hooguit twee maanden geduurd, het stof van de
lendenen geblazen, begeerte gewekt, een huwelijk gered; klink ik nu erg als de
barmhartige Sameritaan?
Waar praat ik over, liefje?
Ik draai de hele dag al Curtis Mayfield's "Superfly", zo swingend en
hip als ik me Maartje 2 wens te herinneren, zoals ze daar voor me stond,
draaiend met haar heupen.
Ik heb mezelf toegestaan drie dagen dronken te zijn. Voor iemand die zich de
rest van het jaar met ijzeren plichtsbetrachting probeert te onthouden, heeft
de Kerst zo toch z'n nut. De mooiste flessen aangeschaft - een dromerig
vergezicht van etiketten - Kerstavond omgevallen na vier flessen, eerste
Kerstdag omgevallen na vijf flessen en nu dan, Tweede Kerstdag, overeind
gebleven.
Ik denk aan de Maartjes, ik denk aan Tinie, de roodharige boekverkoopster uit
Utrecht die kust alsof haar tong je een Geheime Boodschap geeft, ik denk aan
Denies in L.A., die lang aan de telefoon hing om uit te leggen dat ik niet deug
omdat ik niet naar haar toe kom, ik denk aan Pia, die belde uit Canada om uit
te leggen dat ik niet deug omdat ik niet naar haar toe kom, ik denk aan Suzan
in Australië, die ik zou moeten bellen om te zeggen dat ze niet deugt
omdat ze niet naar me toekomt, ik denk aan Santje, die altijd komt, ik denk aan
het preutse verzet van Charlotte, ik denk aan prachtige negerinnen met tanden
zo hagelwit dat ze lijken op jankende teven als het wonder van de overgave zich
aan hen voltrekt, ik denk aan Mariëtte, twee kinderen inmiddels, die
morgen op bezoek komt
om te praten over de dagen dat ze verliefd op me was, en ik op haar, zei ik,
zeg ik... Je wordt oud, Pappa.
Mijn herinnering is een lijkenhuis vol dromen en ik kom op bezoek als een
weduwenaar die, in tranen verstikt, zijn liefste vrouw moet identificeren. Maar
ze zijn allemaal de liefste en de tenen waaraan het kaartje hangt met hun naam
kijken me verwijtend aan.
Kunnen tenen verwijtend kijken?
Nu ja, bij wijze van spreken. Hoe dronken ik ook was, er dient tijdens zo'n
Kerst natuurlijk wel gelezen en gekeken te worden. Gekeken heb ik naar
"The Night of the Hunter", een klassieker met Robert Mitchum als
moordende dominee die al weduwen berovend over het Amerikaanse platteland
trekt, een slang met de bijbel, een slang met het hart. De glorie van zwart-wit
en studiobelichting, en cynische lofzangen als "De Heer is mijn
Herder", een meedogenloos portret van de schaapachtigheid van vrouwen die
als bezetenen ter kerke gaan en Dominee vertrouwen om zijn zalvende toon. Wat
Dominee doet is welgedaan, het orgel galme en de Heere zwelt aan.
En dan was er "Opgespoorde Wonderen" van Rudy Kousbroek, een fotoboek
met verklaringen dat mij regelmatig de adem benam. Kousbroek laat de lezer
knielen bij zijn altaar, zijn eredienst aan de Melancholie, en doet ons
meekijken.
Meneer kan schrijven op een manier die heel z'n innerlijk aanschouwelijk maakt.
Hij liegt, zoals iedere goeie schrijver, maar liegt alleen de Waarheid.
Hij ontroert je, gespeend van deftigheid; z'n woede over de dingen en de mensen
is niet gelogen, hij kijkt naar ouwe kiekjes en vertelt er een hele wereld bij.
Zijn wereld.
Zo bijvoorbeeld over een foto uit 1854, van het slagveld waar de cavaleristen
van de Britse Lichte Brigade hun wisse dood tegemoet gingen. Je ziet een
bergpas en wat kogels, als knikkers in de berm.
Kousbroek danst voor onze verbeelding uit en kerft wat je net gezien hebt met
een stiletto op jouw netvlies: "Het ongelofelijke van deze foto is geloof
ik de stilte. De moorddadigheid van de kanonskogels is onzichtbaar en
onhoorbaar, zoals de donderslagen die elk van hen moeten hebben begeleid. Het
ziet er nu uit als een verlaten jeu de boules, maar de meeste van die kogels
moeten op hun weg de lichamen van mensen en paarden hebben ontmoet, vooral
paarden, want die zijn groter."
En even verderop: "Een misschien ongepaste, maar niet te verdrijven
gedachte die zich voordoet bij al die duizenden oorlogsgraven is de gedachte
aan al de geslachtsorganen die daar meest ongebruikt begraven liggen, zo
nutteloos, zo'n verspilling, denken vrouwen daar nooit aan? Zulke mooie en
ingenieuze organen, maar niemand meer tot gerief of troost."
Als binnenkort de hoge Heerlijkheid van Allah's goedertieren in volle omvang
onze harten breekt en geesten verduistert, dan nog zal als een herinnering aan
de tijd dat je gewoon nog schrijven mocht wat je dacht, dit obscene citaat van
de oude Heer Kousbroek als een uitroepteken achter onze verloren vrijheden
staan. Je ziet 't voor je; Kousbroek sluit z'n ogen en knort in z'n verbeelding
als een varken op jacht naar truffels, snuffelend naar snikkels. Kousbroek
praat met een mond vol, maar O, wat mag ik hem graag lezen. "Opgespoorde
Wonderen" noopt tot een glimlach van herkenning, ik leest iemand die ik
niet ken maar die je, voor je' gevoel, in een vorig leven vast ergens tegen
bent gekomen. Kousbroek lijkt me onverschillig voor wat de fatsoensrakkers op
zijn redactie bij NRC-Handelsblad betamelijk vinden; hij lijkt me ook niet
iemand die een dichter des Vaderlands naar pagina drie zou verbannen omdat de
laatste regel uit diens pen luidde: "En geef de monarchie een schop onder
haar gat!"
Kousbroek staat overeind als een man, een echte dan bedoel ik. En laten we hem
nog één keer aanhalen: "Dat is dus ook zo'n plek, waar je
dood kunt gaan. Yours but to do and die. En dan dienen je geslachtsorganen tot
niets meer."
Ruk voort, Rudy, en blijf ons verbazen met je' wonderen.
Theo van Gogh
|