door een klootzak te zijn kan ik de waarheid aan het licht
brengen
Melancholie in de film Interview
door Antje Swart
Inleiding
Zonder de gebruikelijke wetenschappelijke reserve
benaderde een vriendin het thema van het lustprincipe in de cultuur: "Weet
je met wie Theo van Gogh een film gaat maken? Met Katja Schuurman! Die
siliconentieten schijnen toch iets heel speciaals bij mannen naar boven te
halen." Ze moest me eerst uitleggen wie Katja Schuurman is, maar aangezien
ook mij het onderscheid met de paplepel is ingegoten tussen de hoge cultuur
van Van Gogh en de lage van de commerciële televisie die
Schuurman tot een populair soapsterretje gemaakt heeft, begreep ik de
verontwaardiging van mijn vriendin. Dat nota bene de Shakespeare-acteur Pierre
Bokma de tegenspeler van Schuurman zou zijn, konden we alleen maar verklaren
door pure lust van middelbare mannen, opgewekt door de beeldvullende
siliconen.
Nadat we aldus de motieven van de filmmaker en hoofdrolspeler naar Freud geduid
hadden, bogen mijn vriendin en ik ons over de motieven van de kijkers. Het
betrof immers geen privé-erotica maar een heuse publieksfilm voor beide
seksen. Het leek ons onwaarschijnlijk dat Van Gogh Bokma gecast had als het
snoepje van de week voor het vrouwelijk publiek want hij heeft zijn leeftijd
niet mee en is juist aantrekkelijk zodra en zolang hij een rol speelt. Over een
passief publiek van mannen meenden wij niet te kunnen oordelen. Van Gogh zelf
beantwoordde de vraag wie er naar de film zullen komen kijken met: "Ik heb
geen flauw idee." Rationaliteit leek dus geen rol te spelen; de mens laat
zich leiden door zijn biologische driften. Mijn vriendin en ik vonden de hele
onderneming nogal onbenullig en hiermee was de kous af.
Verrast was ik toen de film, Interview getiteld, uitkwam en een
filmcriticus van een 'hoge-cultuur'-krant hem aanbeval: (
) er zit iets
urgents in de digitale videobeelden die het verhaal dragen. (
) Het
interview mondt via de verleiding uit in een strijd om de waarheid. En het zal
ongetwijfeld veel over de toeschouwer zelf zeggen wie hij de (morele) winnaar
van het gevecht vindt." Achter de onbenulligheid zou dus het verlangen
schuilen de waarheid en zichzelf te kennen, dat wil zeggen om orde te scheppen
in de chaotische wereld en het irrationele en contingente zelf. Er leek met
Freud in de hand wel meer te zeggen over de inhoud en de betekenis van de film,
dan alleen de ontstaansredenen als persoonlijke verlangens af te doen.
Omdat de filmbesprekingen in alle dagbladen en cinemamagazines de tagline
'litteken ontmoet litteken" aanhaalden een kenmerkende soapregel
maar wel met een verwijzing naar het psychoanalytische principe dat al ons
gedrag verklaard wordt door gebeurtenissen in het verleden heb ik mij de
vraag gesteld of hier geen sprake was van spiegeling: ontmoet het litteken
misschien niet het eigen litteken in plaats van dat van de ander? De
probleemstelling die uit de stapel recensies naar voren kwam was dat een solide
basis voor een voor conflict de onharmonieuze 'ontmoeting' van man en
vrouw is een terugkerend thema in het werk van Van Gogh ontbrak. Deze man
en vrouw zijn immers vreemden en ook vreemdelingen voor elkaar; zij hebben geen
boodschap aan elkaar.
Meer voor de hand liggend is dat er sprake is een innerlijke strijd tussen de
delen van een enkele psyche. Uit deze hypothese volgt aldus mijn centrale
vraagstelling, geformuleerd vóór het zien van Interview:
kan het gedrag van de mannelijke hoofdfiguur verklaard worden volgens Freuds
melancholia-concept? De beoordelingscriteria waarmee ik de film analyseer zijn
de kenmerken van melancholie zoals Freud die aangewezen heeft in zijn
verhandeling over rouw en melancholie. Na de conclusie volgen nog enkele
discussiestellingen want wie het gevecht om de waarheid gewonnen heeft lijkt
mij blijvend betwistbaar.
Film
Niet minder ter discussie staat de gebruikelijke maar arbitraire indeling
van de film bij het literaire genre van de epiek. Veel films, en mijns inziens
ook deze, zijn mengvormen van het epische met het lyrische en het dramatische
hoofdgenre. De reden dat ik toch Interview in het te krappe keurslijf
van de epiek pas is dat, in tegenstelling tot niet-psychoanalytische
literatuurwetenschappers, de psychoanalytische literatuuronderzoekers tamelijk
kritiekloos aan de indeling volgens Aristoteles, Goethe en natuurlijk Freud
zelf vasthouden. Niet alleen delen de laatstgenoemden literaire uitingen in op
grond van universele en onveranderlijke tekstkenmerken, maar ook verklaren zij
deze typerende kenmerken met voor het betreffende genre specifieke
psychoanalytische concepten en processen. Freud kende aan de drie hoofdgenres
functies toe; aan de lyriek vooral het uitleven van intense gevoelens, aan het
epos het deelhebben aan victorie van de held, en aan het drama de beleving van
de nederlaag van de (masochistische) held als genot. In Interview zit
naast een tragisch wraakmotief en het Faust-thema van het verkopen van de ziel
aan de duivel omwille van roem door een bovenmenselijke prestatie, ook het
komediekenmerk van de omkering de vaderfiguur is schuldig.
Van het epische hoofdgenre lopen de psychoanalytische verklaringen uiteen, maar
de theorie van de narrativiteit noemt als enig gemeenschappelijk kenmerk van
alle epische teksten de werking van de plot als centraal ordenend principe van
structuurelementen. Een verhaal is de weergave van iemands ervaringen rondom
een plot; deze organisatie is de raison d' être van een verhaal. In
tegenstelling tot bijvoorbeeld films van Godard waar losse fragmenten, die
midden in lijken te beginnen en eindigen en geen logisch verband met elkaar
onderhouden, een beschrijving geven van de realiteit, 'gaat' het epos
gewoonlijk 'ergens over'. Ook Interview verkrijgt betekenis door de
opeenvolging van gebeurtenissen, die zoals Aristoteles wil, samenhangen volgens
waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid en een omslag in het lot van de held met
zich meebrengen. Hoewel doelbewust aangebracht is de structuur van de plot
altijd van een verschuivende aard ten gevolge van het lacaniaans concept van
het universele onbewuste verlangen, dat per definitie onbevredigbaar is
en daardoor alles bepalend en verschuivend werkt. De plot bestaat dus uit drie
delen: de opening, de ontknoping, en ertussen een dynamisch midden met allerlei
gebeurtenissen die het verhaal voortstuwen en uitstel geven aan de,
noodzakelijk partiële, bevrediging.
In het psychoanalytisch onderzoek is de detective een duidelijk onderscheiden
literair subgenre, waaraan de nieuwsgierigheid naar en de fantasieën over
de eigen oorsprong van het subject ten grondslag liggen. De vraag naar de
oerscène die na de oedipale fase scheiding van de moeder en
identificatie met de vader verdrongen is blijft onbewust een rol spelen
in het volwassen leven en is cruciaal voor de receptie en productie van teksten
waarin misdaad en de speurtocht naar de dader het onderwerp zijn.
Interview is op grond van de 'klassieke' kenmerken niet goed als
detective te categoriseren het (dode) lichaam ontbreekt, evenals de
professionele of anderszins georganiseerde recherche maar wel aan de hand
van Zizeks typering van de postmoderne roman. In het modernisme blijft de
structuur overeind zonder het object, rondom de leegte, zegt Zizek, maar in het
postmodernisme wordt het object getoond, en wel als de leegte die
willekeurig kan worden ingevuld door de plaats in de structuur. De reacties van
de omgeving die in het object zelf worden weerspiegeld kunnen het object doen
veranderen van een doodgewoon object in een weerzinwekkend of kwaadaardig ding.
Volgens Zizek is de ongeschreven wet in de detectiveroman dat het
lichaam object is van het verlangen, drijfveer van het interpretatieve
verlangen: wie heeft het gedaan. Nuijten vult aan dat de lezer schrikt:
ik heb het toch niet gedaan? De functie van de detective is dan de
geschokte ziel gerust te stellen: een ander is schuldig aan de
regeloverschrijding, de moord. Het doet er daarbij voor Zizek niet toe of de
ontmaskering van de dader toevallig is of in scène gezet om de
immoraliteit te openbaren. De obsceniteit van het object wordt in de
postmoderne roman immers bepaald door zijn plaats in een (juridische)
orde waar logica, causaliteit en moraal niet persé geldig zijn en van
welke alleen een paranoïcus de alwetendheid bewust kan accepteren. Het
postmodernisme laat zich door de oprukkende beeldcultuur bij uitstek
interpreteren met het concept van de 'gaze' van Lacan. Aanvankelijk stelt Lacan
de wederkerigheid van de gaze voorop: de gaze is niet slechts de blik waarmee
het subject de ander tot object maakt, maar het subject beseft ook dat hij tot
object gemaakt kan worden als de ander terugkijkt. De kijklust en de gaze komen
voort uit het menselijke verlangen en het fundamentele gemis, de
twee kernbegrippen uit de theorie van Lacan.
Naast het inhoudelijke is het formele aspect van een zodanige betekenis,
bijvoorbeeld als verwijzer naar de psychische ontwikkelingsfase van herkomst
van de literaire uitingsvorm, dat ik dieper wil ingaan op het medium film.
Bewuste, dat spreekt voor zich, en onbewuste motieven van de acteur, kijker en
regisseur dragen bij aan inhoud zowel als vorm. Theorieën over onbewuste
motieven en toneel (tragedie en komedie) lijken mij ook toepasbaar op film,
want hoewel steeds bedacht moet worden dat de relatie tussen kijker en speler
hier niet een onmiddellijke is, geeft Lacan aan dat de wederkerigheid vooral
beseft moet worden en het zien van de toeschouwer minder van belang is.
Perversie, in Freuds definitie afwijking van de heteroseksualiteit, is de
onbewuste motivatie van toeschouwer, acteur, en regisseur. Voyeurisme van het
publiek, met name in de hedendaagse kunst, staat tegenover het exhibitionisme
van alle acteurs, dat door de cognitieve psychologie herkend wordt in
het zich emotioneel blootgeven (method acting). De acteur in zijn functie van
verleider wordt op zijn beurt tot willoos object gemaakt door de regisseur die
gedreven door castratieangst het scenario strak in de hand houdt; zijn functie
is die van manipulator tot verwerkelijking van zijn eigen fantasie.
De postmoderne thriller of actiethriller is complex, gruwelijk en verregaand
pervers. De plotstructuur van de ouderwetse detectiveroman verliep lineair van
de schok bij de ontdekking dat de wet overschreden is naar het toegeven aan de
eisen van het Superego opdat de psychische orde hersteld kan worden; de
(post)moderne lezer lijkt te worden geschokt noch gerustgesteld en ervaart een
rechtlijnige verhaallijn als slaapverwekkend. Interview heeft twee
hoofdpersonen met wie de identificatie afwisselend plaatsvindt, en van wie de
vrouwelijke speelster een actrice (zichzelf dus) speelt; Interview bevat
drie interviews (inclusief de ondervraging op het politiebureau in de
slotscène), alsmede een geschreven tekst, een geluidsband en een
videotape die belangrijke en begerenswaardige artikelen zijn binnen de film
kortom er treedt een verwarrend droste-cacaoblikjeseffect op.
Wat de inhoud van de narratieve betreft is begin altijd het verlangen, vaak in
de vorm van hevige opwinding die tot handelen dwingt. Het eindspel is het
herstel van de orde, ofwel de catharsis; want is de held bestraft of ten onder
gegaan? Het middendeel is volgens het persbericht 'een psychologische
machtsstrijd' tussen de hoofdpersonen, maar dit is wat ik aanvecht: de strijd
speelt zich mijns inziens binnen de hoofdpersoon. Een laatste vraag betreft
deze hoofdpersoon. Gebruikelijk is dat de hoofdpersoon in dienst van de lezer
of kijker, betekenis geeft aan de gebeurtenissen. De journalist P is hier de
antiheld die niet in staat is de diepere laag onder de gebeurtenissen, namelijk
onder de aperte leugens van de tweede hoofdrolspeler K te doorgronden. De
gebeurtenissen lijken zich te ontwikkelen zonder dat P er vat op heeft, wat hem
tot een tragische antiheld maakt. Is dan K de eigenlijke, dat wil zeggen
betekenisgevende hoofdrolspeler? Nee, want wij weten dat zij een actrice is
en speelt, en dat haar spel ons niet voert naar de waarheid of naar
moreel herstel.
Brooks' concept van 'ambitie' is de latere burgerlijke versie van
overlevingsdrang in de vroeg-westerse roman; het is het dynamisch kenmerk van
de plot, voertuig van levensdrift, dat de held ertoe aanzet zijn actie niet te
stoppen voordat succes ofwel verloochening bereikt is. Ambitie is de oorzaak
van de hierboven genoemde voortstuwende en totaliserende functie en het sturen
van de lezer; en mijn, gedeeltelijk intuïtieve, keuze voor P als
hoofdpersoon komt voort uit zijn dwangmatige, onstuitbare actie met een doel
buiten de handeling zelf juist omdat K zonder actie al gewonnen zou
hebben (door niets prijs te geven).
Construeer ik de verhaallijn en de betekenis via P, dan is de opening van de
narratieve in Interview de aantasting van de professionele status en het
voor P daarmee verbonden morele oordeel (ik ben niet meer goed). Na een
middendeel van actief sublimeren van wraaklust, frustratie en onzekerheid door
het nastreven van een journalistiek hoogstandje volgt ontknoping van herstel
van de geschonden eer en de psychisch-morele orde (ik ben goed).
Samengevat is dit de handeling: door het kwade lot krijgt de gerenommeerde
journalist van een kwaliteitskrant, P, de opdracht om het soapsterretje K te
interviewen, wat hij als een ernstige onderwaardering van zijn kunnen ervaart.
K pareert P's beledigende arrogantie door beurtelings te acteren dat er slechts
ledigheid in haar schuilt en zich te laten 'ontmaskeren' door P, die door de
onmogelijkheid van een vertrouwensbasis voor een onthullend interview tenslotte
bereid is alle beroepsethiek te laten varen. P gaat akkoord met deal dat K en
hij elkaar hun diepste geheim toevertrouwen. P meent nu het gulden vlies
veroverd te hebben in de vorm van een geluidsband met de onthulling van K. Maar
K bezit de gefilmde (gefingeerde?) bekentenis van P dat hij de dader is van de
moord op zijn vrouw, en ze laat hem arresteren.
Freud
De psychoanalytische praktijk is bij uitstek talig: de analist luistert,
interpreteert zonder sturend oordeel, en houdt het gesprek gaande. Deze
beperkte en talige rol maakt de analist bijzonder vatbaar voor automatisering,
maar de computergesimuleerde psychotherapie stond al kort na de ontwikkeling in
1967 ter discussie. Freud (1856-1939) had een grote liefde voor literatuur en
putte er concepten en hypothesen uit alsof het om historische casussen ging.
Het lag voor de hand deze psychoanalytische concepten opnieuw toe te passen op
literaire werken en dit gebeurt nu nog steeds, waarbij de literatuuranalyse de
psychoanalytische wetenschappelijke groei op de voet volgt. Freuds
oorspronkelijke ideeëngoed heeft niet aan belang ingeboet; wel geeft de
huidige psychoanalytische literatuurwetenschap nieuwe perspectieven en
waardevolle aanvullingen. De sociaal-culturele correctie van het
psychobiologisch vrouwbeeld de vrouw was in het Wenen van Freud een
tweederangsburger die geen emotionele en morele volwassenheid zou kunnen
bereiken is gegeven door Horney. In het literatuuronderzoek splitst Green
het oedipuscomplex in een positief en een negatief deel, zodat de identificatie
ook met het andere geslacht en het begeerde object ook van het gelijke geslacht
kan zijn, en het gehate van het andere geslacht. Vooral door het werk van Klein
krijgt de moeder-kind-relatie, dus de pre-oedipale fase, de aandacht die het
verdient, zijnde het fundament voor alle latere relaties en dus de bepalende
factor voor het volwassen functioneren.
Ook voor Lacan (1901-1981) kan de ander naar wie het verlangen uitgaat kan
zowel de moeder als de vader zijn; overigens worden voor Lacan de seksen niet
door de biologie maar door de taal bepaald. Maar wat, afgezien van het
doorbreken van het rigide sekserolpatroon, Lacan biedt dat Freud niet heeft, is
de serieuze beklemtoning van de invloed van de Ander op onze psyche (in plaats
van de driften en het onbewuste; het Es). De macht van de ander nam, zoals
gezegd, toe zodra het subject de wederkerige blik inleverde. Lacan gaat in zijn
liefde voor het verhaal en de taligheid van zijn theorie verder dan Freud want
waar de bij laatstgenoemde de vader het kind vanuit de symbiotische relatie met
moeder de heteroseksuele orde binnenvoert, betreedt bij Lacan het kind vanuit
de imaginaire moederschoot, waarnaar terugkeer een illusie is, de symbolische
orde: de wereld van de taal. Het gaat Lacan om het taalteken, de structuur
waarin de tekens zich bevinden, en de regels waaraan taalgebruikers zich houden
zowel als de wijze waarop ze die overtreden taal is vooral een spel.
Daarnaast is ook het verhaal cruciaal. Het verhaal kan veel vormen aannemen;
waar het om gaat is dat verhalen kenmerkende en steeds terugkerende functies
hebben zoals die van objectivicatie, identificatie, en aliënatie. Dit
laatste houdt in dat er geen onmiddellijke uitdrukking mogelijk is omdat iedere
uiting talig bemiddeld is. Mede hierom beklemtoont Lacan de beslissende rol
voor onze psyche van de 'betekenaar', de klank, van welke de belangrijkste
functie is te 'verwijzen naar de centrale innerlijke leegte van het subject
die, vaak ook zonder dat wij ons dat bewust zijn, ons bestaan van gemis en
verlangen bepaalt.' Dat het verlangen het gemis zou kunnen 'herstellen' zoals
Klein voorstelt, doet Lacan af als illusoir. Gemis is geen te verwerken
verlies, en bovendien acht Lacan niet het verlies bedreigend voor de psychische
orde maar de nabijheid. Willen wij terugkeren naar de onbereikbare 'orde
van het Werkelijke' dan zouden wij in de 'imaginaire orde' met de directe
betekenis van het werkelijke belanden, hetgeen een gevaarlijke illusie is;
alleen indirecte structuurbeschrijving via betekenaars is mogelijk in de
'symbolische orde'. De terugkeer naar de moeder, als verleidelijke, maar
riskante en ook niet erg lonende onderneming, is metaforisch voor het zoeken
naar de inhoudelijke betekenis dit is waarop Brooks reageert met de
rehabilitatie van de plot.
Voor de hermeneutiek moeten we bij Freud zijn. Verborgen zielsinhouden kunnen
(voor)bewust worden voor zover ze herinneringsresten zijn en dus aan
woordvoorstellingen gekoppeld kunnen worden. Freud voegt hieraan toe dat het
denken in beelden 'maar een zeer gebrekkige bewustwording [is]' dat meer
overeenkomst vertoont met onbewuste processen en ook ouder is dan het denken in
woorden. Er bestaat geen ver-taal-bare herinnering aan wat niet waargenomen is
en precies hier vervult de (dag)droom een brugfunctie tussen de innerlijke
beleving en de objectief waarneembare realiteit, waarin de cultuur vaak het
zien van bepaalde zaken verhindert alvorens het taboe op openbaarmaking gaat
werken. Literatuur bestaat uit gepubliceerde dagdromen, fantasieën die
vervullingen zijn van onbevredigde egoïstische en erotische wensen. Om ons
niet te shockeren met intimiteiten die we van onszelf laat staan van een
vreemde willen kennen, ontdoet de schrijver zijn naar zijn zeggen unieke
fantasie van de scherpste kanten en giet hem in een esthetische vorm. Net als
in dromen is niet het verhaal als geheel maar wel de literaire thematiek
universeel voor de mens namelijk conflicten en problemen die het gevolg
zijn van het nastreven van status en seks dus dit laat een thematische
analyse en interpretatie toe.
De vraag of ik op deze wijze niet de door de roddelpers reeds als neerslachtige
neuroticus afgeschilderde scenarist op de sofa leg, die immers zijn acteurs de
woorden in de mond giet, beschouw ik als niet relevant omdat het evident is dat
de personages verbeeldingen zijn en ik daarom ongestraft hun woorden (en daden)
als origineel kan behandelen, en ook hun geestesgesteldheid. Mijn
veronderstelling is dat het conflict tussen de figuren zich in feite afspeelt
binnenin een van hen. Een conflict komt voort uit tegengestelde zienswijzen en
belangen: ik wil niet dat jij denkt en doet zoals jij
doet. De veronderstelling is dat deze aanklacht aan zichzelf is gericht.
Freud maakt het verschijnsel van de op zichzelf gerichte agressie begrijpelijk
met het concept van melancholie; de inhoudelijke normen voor mijn beoordeling
van de psychische conditie van de hoofdfiguur P in Interview wil ik
baseren op de thematiek die verbonden is met dit melancholieconcept.
Melancholie en rouw zijn reacties op verlies van een geliefd object, dat van
concrete maar ook van ideële aard kan zijn. Symptomen zijn
neerslachtigheid, gebrek aan interesse in de buitenwereld en verlies van het
vermogen tot liefhebben met moeite en tegenzin moet de libidopositie
opgegeven worden. Na het voltooien van een verwerkingsproces herwint het
rouwende Ik weer zijn vrijheid; van melancholie echter zijn de symptomen
blijvend én ze worden aangevuld met een verstoring van het gevoel van
eigenwaarde. 'Bij de rouw is het de wereld die arm en leeg geworden is, bij de
melancholie het Ik zelf.' Voor dit Ik is, anders dan bij rouw, het verlies niet
(al te) zeer bewust: de melancholicus '[weet] weliswaar wie, maar niet
wat hij aan die persoon heeft verloren.' Ondanks een aanhoudend,
openlijk, luid zelfverwijt van morele verwerpelijkheid is er geen schaamte voor
anderen, want '[h]un klachten zijn (
) aanklachten, (
) gelden in de
grond van de zaak een ander.' Na een reële krenking door een geliefd
persoon heeft het Ik de libido teruggetrokken, en daarna niet verschoven naar
een nieuw object maar terug naar het Ik. Door de identificatie van het Ik met
het opgegeven object verandert het conflict tussen het Ik en de geliefde
persoon in een tweespalt tussen de Ik-kritiek, het geweten, en het (door
identificatie gewijzigde) Ik zélf. Nu raakt de Ik-kritiek afgesplitst
van het overige Ik, en dus is de kritiek ongebreideld nu het onbereikbaar is
voor realiteitstoetsing, de functie van het Ik. Het identificatiemechanisme is
een regressie van (narcistische) objectkeuze naar het oorspronkelijke
narcisme.
Daarnaast initiëren of versterken alle krenkingen die haat tegenover de
liefde in een relatie kunnen brengen de, vaak constitutionele en dus
verdrongen, ambivalentie. Zodra de liefde voor het object, die niet kan worden
opgegeven zoals het object zelf, is teruggetrokken in de narcistische
identificatie, wordt dit surrogaatobject bestookt met haat die zijn oorsprong
vindt in de sadistische fase. Men neemt wraak op het oorspronkelijke object via
zelfbestraffing, of zelfs zelfmoord. Een andere beëindiging van de
stabiele melancholische toestand heeft weinig kans van slagen door de complexe
en onbewuste werking van ambivalentie en regressie; aan het bewustzijn
verschijnt melancholie als een conflict tussen een deel van het Ik en de
kritische instantie. Manisch gedrag is een variant van de vaak
niet-pathologische melancholie; tegenwoordig wordt (manische) depressie tot de
psychosen gerekend en gediagnosticeerd op grond van de door Freud genoemde
symptomen van een zeer lage zelfwaardering tot in de zwaarste klinische vorm
totale onverschilligheid voor zichzelf en de omgeving. De antisociale
persoonlijkheidsstoornis, de borderline persoonlijkheidsstoornis en de
narcistische persoonlijkheidsstoornis kenmerken zich doordat leugen en
zelfbedrog hand in hand gaan. Ik wil hier verder niet op in gaan van
Freuds drie premissen van melancholie zijn objectverlies en ambivalentie ook
typerend voor rouw, maar cruciaal en specifiek voor melancholie is de regressie
van de libido naar het Ik.
Freuds melancholieconcept kan een inhoudelijk analyse-instrument voldoende
onderbouwen, maar Green levert een welkome aanvulling met zijn atypische
objectfixatie omdat weliswaar Freud het verlies van diverse aard en kunne
toelaat maar de (over)kritische instantie en de sociale omgeving, die niet los
van elkaar opereren, dit zeker niet doen: niet ieder verlies is even
acceptabel voor het Ik. Het verlies van een niet 'normaal' heteroseksueel
liefdesobject kan openlijk beklaagd worden, maar een atypische objectkeuze is
onbenoembaar, zodat het verlies van dit object ook onuitspreekbaar is, en de
woorden die het Ik wilde uitschreeuwen ingeslikt worden en op het Ik zelf
gericht. Klein's belang van de moeder-kind-relatie voegt het idee toe dat een
reële in gebreke blijvende moederfiguur zal effectueren in een wanhopige
schreeuw om aandacht in alle latere relaties, niet alleen voor het zelfverwijt
maar voor alle gevoelens, gedachten en prestaties, alsof deze zonder de respons
van anderen in het geheel niet zouden bestaan parallel aan Lacans
stelling. Voor het formele deel van de analyse ontleen ik aan Brooks
plottheorie het ontbreken of in het ongewisse houden van begin en vooral eind,
omdat melancholie geen tijdgrenzen aanbrengt en het heden niet wordt
afgesloten; en aan Lacan zijn concepten 'verlangen' en 'leegte' om een
potentieel conflict tussen de imaginaire (narcistische) en de symbolische orde
beter te kunnen duiden, en aldus de regressie die melancholie kenmerkt. Omdat
psychische aandoeningen meestal niet een enkele oorzaak hebben maar meerdere
stel ik een systeem van beoordelingsnormen samen uit alle bovengenoemde
concepten en constructies. Eerst wil ik nog even ingaan op enkele wijzen waarop
na Freud het begrip 'verlies' geproblematiseerd is.
LaCapra onderscheidt 'absence' van 'loss' want " (
) one cannot lose
what one never had." 'Absence' is transhistorisch, verbonden met ultieme
goddelijke of metafysische funderingen; is te vinden in alle culturen, in
verschillende uitingsvormen waaronder de gedeelde idee ligt dat de penis die de
vrouw mist ooit aanwezig was in een allesomvattende intacte fallische
oermoeder. Afwezigheid is gethematiseerd als: de scheiding van de '(m)other',
de overgang van natuur naar cultuur, het uitbreken van het
pre-oedipale/pre-symbolische in het symbolische, het binnengaan van de taal, de
confrontatie met de 'werkelijkheid', de vervreemding van de species-being, de
angst-bevangen geworpenheid van Dasein, het onvermijdelijk voortbrengen van
uitzichtloosheid zo diep dat we de angst voor leegte of afwezigheid van
het object liefst omgezet zien in eindige rouw om zijn zichtbare dood, de
scheppende aard van melancholisch verlies als bron van subjectiviteit, de
verbanning van het onnoembare.
De kern van het betoog van LaCapra is dat wij structurele 'absence' niet moeten
verwarren met historische en specifieke 'loss', omdat dit leidt tot negatieve
individuele en maatschappelijke gevolgen, te weten victimizatie, onterechte
vereenzelviging van niet-getroffenen met de slachtoffers men denke aan
ons collectief gevoelde leed tengevolge van 'het terrorisme',
'melancholische' verlamming van het constructief oplossingsvermogen, en
overbelichting van esthetische, sublieme of sacrale eigenschappen van
traumatische ervaringen ten koste van hun ingrijpende historische (politieke en
sociale) betekenis exemplarisch is de verklaring van de componist
Stockhausen kort na de aanslag op de Twin Towers dat dit "het grootst
denkbare kunstwerk van de hele kosmos" was. Ook Butler en Zizek wijzen op
de sociale gevolgen van verlies en melancholie: culturele uitsluiting en
onderdrukking.
Mijn analyse-instrument, dat de normen van de beoordeling van mijn
onderzoeksobject bevat, ziet er als volgt uit:
· formele criteria:
vage of ontbrekende opdracht-uitwerking-oplossing
structuur
verwijzingen naar terugkeer in de imaginaire orde van illusie, bedrog,
niet-oorspronkelijkheid
afwezigheid of traagheid van handeling (LaCapra)
· inhoudelijke criteria:
objectverlies, ambivalentie (haat/liefde) en regressie
van de libido naar de Ik
atypische objectkeuze
dringende aandachtseis in alle relaties voor alle gevoelens
De hypothese is dat de hoofdfiguur uit Interview P in ruime mate zal
voldoen aan de meeste van deze criteria uit beide groepen.
Oorlog
Over het eerste formele kenmerk van de opdracht-uitwerking-oplossing
structuur kunnen we zeggen dat de opdracht eigenlijk ontbreekt omdat de
hoofdfiguur P die niet krijgt. Het lot schuift P een surrogaatopdracht
in handen, die hij niet afwijst accepteren is hier een eufemisme
omdat iets onbenoembaars hem treft: "-Waarom stopte je die foto dan in je
binnenzak
vieze geilaard. -Niets
zomaar, ik dacht
weet ik
veel
zomaar." P weet zich gehinderd in het uitvoeren van zijn eigen
opdracht: "(
) ik heb u uitgelegd dat ik inval voor iemand die ziek
is (
) Dit is mijn eigenlijke taak niet!"; op de inhoud van de
eigenlijke taak en het bewustzijn van P hiervan, kom ik dadelijk terug. Het
ligt niet voor de hand de vervangende opdracht te zien als de eerste
verschuiving, dus de eerste gebeurtenis die voor uitstel zorgt in het midden,
omdat voor het detectivegenre waartoe ik Interview reken, het
lichaam de aanzet en het leesmotief vormt: "Je mag de mooiste vrouw
van Nederland interviewen
Katja." Als parodie op het soapslot met
zijn talloze verstrengelde onthullingen denkt P zijn (vervangende) opdracht te
hebben volbracht door de verwerving van kennis van de tot dan toe verborgen
werkelijkheid, dat dit lichaam ziek is en dood gaat. Maar dit 'feit' blijkt
bedrog, het gaat om een ander lichaam: "Dit is mijn dagboek niet (
)
Zij heeft kanker
" Aan wraak van de vrouw die haar gevoelens
niet gerespecteerd acht gaat de held ten onder.
Een andere ontmaskering zou een orde herstellende functie zou kunnen hebben
maar is het in dit geval niet heeft omdat de orde niet verstoord was: "Ze
hebben (
) onderzocht of het een moord was
Ze konden niets bewijzen
(
) De psychiater (
) dacht niet dat ik een moord zou kunnen
plegen
" De nieuwe orde, P belandt nu toch in de cel,
verhindert het inlossen van de door hem gevoelde schuld door te "helpen
(
) laten zien dat ik aardig ben
"; als hij zijn psychisch
conflict niet op andere wijze oplost continueert zijn schuldgevoel. Daarbovenop
komt het onrecht, waarvoor vanuit de cel niet om genoegdoening gevraagd kan
worden, dat P aangedaan is door zijn rechteloosheid als verdachte in het
systeem van alwetende almacht, waarvan K een onderdeel van (b)leek, alsof er
nooit 'toeval in het spel' was.
Van de vage of ontbrekende plot ga ik over naar verwijzingen naar terugkeer in
de imaginaire orde. Op het moment dat K de sleutel in het slot van haar
voordeur steekt gaat er een alarm af: een signaal dat de postmoderne kijker met
een schouderophalen afdoet, maar P betreedt hier het hem onbekende terrein van
de soapster: "Het spijt me
Ik heb nog nooit
Ik ken je helemaal
niet." Hier, binnen, speelt de ontwikkeling van het verhaal zich af, het
is donker, buiten motregent het, en K zet haar pogingen om P de deur uit te
jagen niet door tot na haar wraakactie. K verwijst naar de wereld buiten haar
deur in haar antwoord op P's "Ik wil een mooi verhaal.": "Ze
zetten woordjes achterelkaar. Woordjes over mij die niets met mij te maken
hebben. Zinnen die onzin zijn. (
) En dan kom jij (
) en je wil me
neersabelen." In de buitenwereld is een woord leeg en zijn macht krijgt
het door zijn gebruik: dit is de symbolische orde. Onderscheid tussen een
buiten- en binnenwereld, de laatste mogelijk verwijzend naar de imaginaire
orde, blijkt vooral uit de telefoon. De functie van de telefoon is die van
boodschapper tussen de 'werkelijkheid' en de interviewsituatie. Om te beginnen
komt de interviewopdracht per telefoon, vervolgens het contact met 'Den Haag'
waar zich volgens P al het echte (dus ook in het geval van het kabinet
eindige) leven afspeelt, en P vertelt dat de dood van zijn dochter hem
per telefoon bereikte: "Het is altijd slecht nieuws. Als je niet opneemt
weet je niet welk slecht nieuws het is." P dringt er op aan dat K haar
telefoon opneemt en die gaat vaak. Maar de kijker hoort de andere kant van de
lijn niet en zit opgesloten evenals P, in K's zonder plan inrichting woning die
voor de kijker steeds meer lijkt te bestaan uit een wanorde van volle en lege
flessen en glazen. Na uren gaat ook de deurbel maar van K mag de deur niet
open.
De veroordeling tot elkaar, waar ook de kijker bij betrokken geraakt is, wordt
verstekt door televisiebeelden en schriftelijke tekst in de film, die
afstand scheppen tot de concrete plek waar het 'echt' gebeurt. Omdat K door de
telefoon spreekt stelt ze zich aan P voor op een papiertje: "Hallo, ik ben
Katja -Ik ben Pierre." De concrete werkelijkheid wordt beschreven in een
dagboek, als een subjectieve beleving van de naderende dood; een 'realiteit'
die we verdringen en nooit begrijpen, en die dus door P misverstaan wordt en
misbruikt als 'feit'. Dit feit speelt op gelijk niveau als 'waargebeurde'
verhaalelementen als oorlogsdoden en een actrice die we (moeten)
associëren met een parallelle wereld in een kastje met een stekker, een
realiteit die we dagelijks zelf de nek omdraaien. Tv-uitzendingen en eigen
videobeelden in de film verschillen niet van plaats zelfde toestellen,
zelfde kijkers, binnen bij K. Deze plaats bepaalt de obsceniteit van de
getoonde objecten: het nieuws over het gevallen kabinet, de soap en de opnames
van P verkrijgen dezelfde status, namelijk van volstrekte inwisselbaarheid van
de inhoud en wat de vorm betreft van monotone herhaling. Morgen is er weer
nieuws en K huilt ieder aflevering wel twee keer.
Beelden en woorden, gematerialiseerd als bandopnames, krijgen hun hoge prijs
door aanwending in de buitenwereld. Voor zover de subjecten zich van
deze waarde bewust zijn gedragen ze zich als bekeken object; precies hierin
heeft de actrice K een enorme voorsprong op de nooit direct waargenomen,
zichzelf objectief noemende en genegeerd voelende, schrijver P hier
blijkt de macht van K. Wanneer K erop staat op tv zichzelf te zien in haar
soaprol is dit geen narcistisch voyeurisme maar professioneel perfectionisme,
misschien van gespeeld onkritische aard. P wil niet vertellen dat over de hele
wereld beelden zijn gegaan van hem als zwaargewonde; als "image
morcelée du corps" in Lacans spiegel, een drama dat volgt op de
droom van fysieke consistentie. P trekt zich terug om in de spiegel te zien hoe
zijn (echte) tranen eruit zien, net nadat hij K het huilen heeft zien acteren.
Over het exhibitionisme van K merkt P op dat K een boek bezit over method
acting "zowaar met aantekeningen", en: "Met je gevoel is niets
mis (
) Je taalgebruik neemt niet toe door cokegebruik." De emotie
komt kennelijk uit roesmiddelen, en haar lichaam wordt niet ontbloot door de
blik van P maar door K zelf die de aandacht richt op haar siliconen, met name
wanneer ze in een omkering van het rollenspel P tegen zijn zin manipuleert tot
een gevideotaped exhibitionisme.
Dit alles lijkt me voldoende grond om de woning van K als de orde van het
imaginaire aan te mogen merken. P is tijdelijk uit zijn dagelijkse
werkelijkheid teruggekeerd naar een (denkbeeldige) gelijkenis met zijn dochter:
"Ze was acht jaar ouder dan Lisa
"; Lacan zou wellicht
concluderen dat de nabijheid tot de illusie P tenslotte noodlottig is geworden.
Hoe dan ook is er in Interview geen duidelijke scheiding tussen fantasie
en werkelijkheid, van de eigen namen van een aantal personages, via de (niet
geheel op toeval berustende) overeenkomsten met de journalistieke en politieke
werkelijkheid, tot de soapactrice die soapactrice speelt. Dit duidt op
regressie naar de vroege periode, waarin middels het kinderspel fantasie
werkelijkheid wordt om aldus de separatie van de moeder te leren beheersen.
Interview is bijna geheel op één locatie en bijna in
real-time opgenomen. Er zijn weinig scènewisselingen, er verandert
weinig: het kabinet wil maar niet vallen, in de psychiatrische kliniek in een
van de eerste scènes bestaat tijd niet, en bij K lijkt die stil te
staan. Vooral tekenend voor de traagheid van de handeling is dat het interview
waarnaar de titel verwijst en die de hele reden vormt voor de confrontatie van
P met K, pas halverwege de film op gang komt, en dan nog moeizaam. Oorzaak en
versterking van de vertraging zijn de talrijke onderbrekingen door berichten
uit de buitenwereld, de vele soms haast letterlijke herhalingen in de tekst,
voornamelijk de "Je telefoon gaat. -Ik neem niet op. -Neem nu maar
op."-scènes, en bekvechterijen van de welles-nietes soort. De
interviewsituatie en het beroep van de personages geven een indruk van gebrek
aan daadkracht en teveel woorden: talking heads op tv en voor de tv. Ook
produceren de weerkerende monologen van P een verlammende oververzadiging, die
eerder wordt bevorderd dan tenietgedaan door, eveneens repeterende, lyrische
razernij van K, want in beide gevallen moet de kijker zich weer door dezelfde
dichte haag van narigheid wringen. Opmerkelijk is dat P moet lopen wanneer hij
zijn fatale bekentenis doet: deze plotselinge opleving van fysieke actie lijkt
een vooraankondiging dat voor P het doek definitief gaat vallen, een spurt naar
het einde van het 'bewust' zelfgeschapen verlies dat de onderdrukte
leegte invult waarna rouw en berouw verwerkt kunnen worden.
De inhoudelijk criteria van melancholie volgen de drie freudiaanse premissen
van objectverlies, ambivalentie en regressie van de libido naar het Ik. Het
object lijkt te zijn: het verlichtingsideaal van kennis van de waarheid
gefundeerd in de rede, en dus vooruitgang en macht over het leven. Dit
ideële object, dat de kijker noch het Ik kent omdat het op onbewust niveau
werkt, is in de oorlog teloorgegaan. Omdat met de leegte, de afwezigheid van
het ideaal, niet kan worden geleefd LaCapra's 'absence' verwijst naar de
diepe, en dus verdrongen menselijke angst voor het niets ervaart P op
bewust niveau verliezen. Van de slachtoffers in Sarajevo en van zijn dochter
kan immers via realiteitstoetsing de dood worden vastgesteld en na een
rouwproces kan men er weer mee leven; het verleden is afgesloten. In P's geval
blijven de oorlogservaringen voortdurend pijnlijk aanwezig in het bewustzijn,
omdat 'absence' niet wordt onderscheiden van 'loss'. De hele wereld lijkt nu
immoreel geworden, de Serviër is tot vijand gemaakt, het kabinet handelt
niet meer, en P blijft schuldig.
Ambivalentie blijkt uit het gelijktijdig dwepen met de verlichte orde van de
taal en met de vrije nieuwsgaring die leidt naar waarheid en gerechtigheid, en
haat jegens het streven naar waarheid en eerlijkheid omdat dit helemaal geen
vriendschap of liefde nodig heeft: "(
) ik ben kritisch, ik probeer
dingen te achterhalen. Ik ben niet aardig, dat geef ik toe, maar het is niet
mijn taak om aardig te zijn.". Sterker nog, het verlichtingsideaal voert
ons direct naar oorlog als alles is geoorloofd omwille van kennis: "Door
een klootzak te zijn kan ik de waarheid aan het licht brengen.", en: Wie
heeft er wat aan mijn aardigheid?" P lijkt al te verkeren in een staat van
een verschrikkelijke oorlog van allen tegen allen, waar "belofte geen
schuld maakt", waar objectiviteit menselijke subjectiviteit uitschakelt en
"[m]enselijke betrekkingen een misverstand [zijn]
" "Mag je
dan liegen, vindt u? -Ik ben journalist.": list en (zelf)bedrog zijn regel
waar de mens slechts ruilwaarde heeft als informatiedrager. P weet niet, maar
voelt mijns inziens wel, dat zijn "eigenlijke taak" bestaat uit het
wijzen op het manco van waardevrijheid, politieke correctheid, de patstelling
door neutraliteit. Het is hierom dat hij naar Den Haag wil gaan om de val van
het kabinet te bespoedigen met de journalistieke objectiviteit die nu dus een
farce blijkt. Het dilemma voor P is dat hij weliswaar het object zelf verloren
is maar dat hij de liefde voor dit object van 'echte' waarheid buiten de
subjectiviteit niet kan opgeven.
Er is sprake van regressie naar een eerder stadium van volledige
zelfgenoegzaamheid. P's interesse in uitsluitend zichzelf is geen egoïsme
want het is onbewust. P klaagt immers: "Dat ik je binnenkant wil
leren kennen
(
) Ik snap níks van je, helemaal
níks
" K kan de verdrongen regressie naar het narcisme niet
bewust maken: "Heb je ernaar gevraagd? Nee, jij voert altijd maar
oorlog...", want oorlog is het enige dat betekenis heeft voor P: "Je
kent de werkelijke betekenis van de woorden niet." en even later
"(
) niet voelen
onzeker zijn (
) Je weet niet wat het
echt betekent
Er staat een Serviër naast je." Identificatie met
het verloren object heeft resulteert erin dat de kritische instantie in het Ik
niet de externe veroorzaker van geweld en dood bestraft P houdt colleges
over de oorlog maar klaagt die niet aan maar zichzelf beschuldigt
van de dood van zijn dierbaren. Het zelfverwijt wordt bestendigd door de
levende dode T: "Letterlijk alles wat mij dierbaar was
ging dood.
(
) zelfs Theo, mijn vriend, zit nu in de Bijlmer, geschift, maar
eigenlijk dood." en: "(
) ik ben geen goed mens. Ik ben mislukt.
Ik had nooit in de journalistiek moeten gaan
" en even later:
"Ik vraag me af
Of ik het had kunnen voorkomen
"
Wat bewust wordt van het conflict als het in de krant aangekondigde verbale
duel tussen P en K, is K haar respons op het martelen door P om een waarheid
uit haar te krijgen: "Ik heb het gevoel dat jij
met je
oorlog
Gestapomethoden op mij hebt toegepast. En ik zou niets liever
willen dan je net zo'n pijn doen als je mij hebt gedaan
-Neem dan
wraak!" Voor P is K met wraak en al slechts instrumenteel, een middel tot
het subdoel van een "topverhaal" en het 'echte' doel van erkenning
als waarheidbrenger, en dan tot 'Den Haag'. Hij verwijt haar dat zij 'wezen'
niet toont: "Ik snap níks van je, helemaal níks
"
De oplossing van het bewuste conflict is de ruil: "Ik vertel je mijn grote
geheim omdat jij mij jouw grote geheim vertelt
"; aanzet hiertoe is
al uren eerder gegeven: "Ik ga daar [de dood van de dochter] nu niet over
praten. -Goed
Jij mag mij
alles vragen."
Over de atypische objectkeuze van P in zijn expliciet gemaakte herkenning in K
kan ik waarschuwend opmerken dat dit een strategisch aangewend misverstand is.
P gelooft niet in relaties: "Man en vrouw
Het is allemaal een
misverstand.". En P lijkt liever in een mannenomgeving te verkeren, al
betreft het hier niet de seksuele maar de ideële mannenwereld. P vraagt
vlak na zijn ontmoeting met K naar het nog in leven zijn van haar vader en
noemt haar moeder (ironisch) "ook een mooie vrouw"; het lijkt alsof
voor P mannen in de orde van leven en dood, de werkelijkheid dus, verkeren maar
vrouwen in een esthetische orde. P is onder de indruk van de productieve en
performative kracht van het object, hun doelbewuste rol in het spel: "Al
was hij een eerlijker wijf dan jij. Zijn leven was ook acteren, alleen hij wist
waarom hij het deed. Jij niet (
)". Over P's voorkeur voor de
mannenwereld, zegt K: "(
) jij hebt de oorlog meegemaakt. Jij gaat
over lijken. Je stapt er makkelijk overheen. Te makkelijk
Dode kinderen,
dode lichamen, dode vrouwen
vrouwen in het algemeen, hoeren
Je stapt
zo over ze heen, alsof het lijken zijn, zeg maar
" Het is hun
lichamelijkheid en: "Je weet de werkelijke betekenis van de woorden
niet." P veracht K's wereld van verleidelijkheid als pornografisch, opium
voor het volk, en als het scheppen van illusies, opzettelijke ijdelheid en
mystificatie: "Je laat je niet serieus nemen." P verwijt zijn
vrouw dat zij hem achterliet met zijn angst voor de leegte een angst zo
groot dat P de afwezigheid verruilde voor een overkomelijk verlies.
In de moord opgevat als wraak schuilt het tragediekenmerk van de (angstige)
fascinatie voor de symbolische castratie door de vader, de bestraffing na
overschrijding van de regel. Maar Klein noemt ook de splitsing van de
gekoesterde 'goede moeder' en de gevreesde 'slechte moeder', en tengevolge van
de angstfantasie van pasgeboren kinderen vernietigd te worden door de in woede
ontstoken 'slechte moeder', de symboliek van de ondergang van de tragische
held. Moord opgevat als zelfverdediging tegen de allesvernietigende kracht van
de 'slechte moeder', zij doodde immers haar eigen kind, verklaart afwezigheid
van berouw over de daad afdoende. Het kenmerk van het drama is de
catharsiswerking, voor het publiek, niet voor de held.
De ontknoping van de bewuste laag in Interview, de rode detectivedraad,
is dan als volgt: P voorkomt vernietiging door de 'slechte moeder' die schuld
heeft aan de dood van hun dochter, op de meest drastische wijze; ons geweten
straft ons voor het overtreden van het verbod op moedermoord P heeft
zichzelf het vege lijf gered in een oorlogswereld waar de normale wet met de
onafhankelijke rechter buiten werking gesteld is, waar (tijdelijk) geen geweten
is; en vervolgens straft de juridische orde P voor het verboden
eigenrechterschap. P voelt zich misschien onschuldig maar hij is wel bereid
boete te doen: "Door een klootzak te zijn kan ik de waarheid aan het licht
brengen." "Is het je taak om een klootzak te zijn? -Waarschijnlijk
wel." De verlichtingsidee van waarneembaarheid van de Waarheid is door de
feministische filosofie ontmaskerd als 'fallocentrisch': het ideaal van
objectiviteit plaatst de man in het centrum van het universum vanwege de
vereiste onthechting van het aardse vleselijke bestaan waaraan de vrouw door
haar uitsluitend reproductieve functie gebonden zou zijn. P nu heeft zich
geïdentificeerd met de politiek, die zozeer geldt als mannenwereld dat P
blind is voor het feit dat politiek bij uitstek het terrein is van de
hofmakerij, mooipraterij, valse en vage beloftes, toekomstvisioenen; en extra
verblindt is P door zijn liefde voor de naakte waarheid.
Het door Freud gesignaleerde melancholiesymptoom van de luid uitgesproken
onstuitbare stroom van zelfverwijten, is beslist afwezig bij P. De dialogen
zijn juist zeer polemisch, K: "Jij voert altijd maar oorlog
"
Ook het toegeven "Okay, dame, ik ben mislukt, je hebt helemaal gelijk. Ik
ben mislukt! Jij hebt alles." is geen klacht maar een aanklacht omdat P de
reden van zijn mislukking buiten zichzelf zoekt in zijn werk, zijn vrouw, de
granaatscherf en de minister. Anderzijds is al opgemerkt dat rouw om het
recente overlijden van P's vrouw afwezig is, en zelfbeklag over de invaltaak
naar de achtergrond verdwijnt, terwijl oude oorlogservaringen steeds weer
terugkeren en ook de destijds overleden dochter niet losgelaten kan worden in
dialogen en ook monologen die de woorden van K doorsnijden. "Een
hoer
-Ja, zeg maar dat ik een hoer ben. -Een hoer in Hotel Gainsbourg in
Sarajevo was verliefd op een vriend van me geworden. We hadden haar allemaal al
gehad
" P richt zich tot het plafond, niet tot K, dit is het lyrische
kenmerk van de apostrofe: in melancholieke toestand richt de lyrische
volwassene zich tot personen of zaken die niet in staat zijn hem te horen ofwel
de betekenis van zijn woorden niet kunnen begrijpen; hij lijkt zich van de
'aangewezen' luisteraar af te wenden. Lyriek is volgens Nuijten het genre van
de verdichting; mij lijkt het hier een compensatie voor de innerlijke leegte
van P.
Pas na monoloog die na de bovengenoemde openingszin nog minutenlang doorgaat,
vervalt P in een eerste openlijk zelfbeklag: "(
) ik ben geen goed
mens.", en "Ik vraag me af
Of ik het [de situatie van vriend T]
had kunnen voorkomen
" Daarbij lijkt iedere interviewvraag aan K
terug te leiden naar existentiële vragen waarmee P worstelt, direct vanaf
de eerste, geïmproviseerde vraag. "Waarom
waarom bent u
filmster geworden?"; een verspreking, "stomme vraag", of een
geheel volgens de psychoanalytische regel van vrije associatie bewust gemaakte
nieuwsgierigheid naar de oorsprong. En dan: "U kunt zichzelf toch niet
goed vinden als u in derderangs films speelt
" Derderangs staat hier
voor commercieel, alleen voor het geld en geld maakt ware kennis overbodig:
"-Ik ben niet arm. -Maar je hebt geen verstand van wijn." Dit
weerspiegelt precies de (niet uitgesproken) onzekerheid: 'Al ben ik nog zo'n
klootzak (journalist), ik zal de waarheid niet in pacht hebben'.
Al met al is er een vage en dubbelzinnige plot, want ondanks veel ambitie en
veel ontknopingen is er geen herstel van de psychische orde omdat K vrijuit
gaat tegen onze intuïtie van rechtvaardigheid in. En er is geen
catharsiswerking omdat er geen heroïsche ondergang is uit welks nadering
we een sadistisch genot proeven, want er is aan de masochistische held nooit
een onvervulbaar doel gesteld, integendeel: "'t Is gewoon handwerk."
Onze held is zelfs niet echt een klootzak, en hij brengt aan het eind ook
weinig licht. Er is sprake van tijdelijke terugkeer in een imaginaire orde,
waar P alle vormen van narcistisch gedrag vertoont die Mooij opsomt:
desinteresse in anderen, rivaliteit, en strevingen naar onmiddellijk genot. De
handelingen verlopen traag en circulair: draaiend om de waarheid, de
onthulling, lijken we steeds op dezelfde plaatsen terug te komen. We vinden
Freuds drie premissen van melancholie in de hoofdpersoon terug, het verloren
object is de objectieve waarheid. Wanneer we het verlichtingsideaal van het
streven naar een universele waarheid als een mannelijk ideaal zien, is er
sprake van atypische objectkeuze; of P zijn ideaal als 'mannelijk' opvat is
niet duidelijk, maar wel dat voor hem vrouwen leegte vertegenwoordigen of
leegte brengen in plaats van waarheden. Er is tegen de verwachting in geen (te)
dringende aandachteis voor alle gevoelens. De hoofdpersoon is hierdoor geen
typische melancholicus maar we kunnen wel vaststellen dat het conflict tussen P
en K een effect en een verhulling is van een dieper verlies met het op zichzelf
gerichte beklag daarover.
Conclusie
De probleemstelling is dat het conflict in de film Interview zich in
feite zou afspelen binnen de hoofdpersoon en niet tussen de hoofdpersoon P en
zijn tegenspeler K. Dit leidt tot de vraagstelling omtrent de al dan niet
melancholische aard van de hoofdpersoon, dat wil zeggen het lijden aan een
innerlijk conflict tussen een te kritisch geweten en een zichzelf liefhebbend
deel van het Ik. De normen voor mijn analyse-instrument waarmee ik de film
tekstueel onderzoek, betrok ik uit de oorspronkelijke theorie van Freud over
melancholie, en uit theorieën van Lacan, Brooks, Green, Klein en LaCapra.
Omdat P volgens de hypothese aan drie van de formele en twee van de
inhoudelijke normen van 'literaire' melancholie voldoet is P als melancholisch
te karakteriseren. Aan een van de inhoudelijke normen voldoet P niet, maar dit
is niet in strijd met de hypothese. Het conflict tussen P en K is secundair,
het volgt uit het innerlijk conflict van P die niet alleen zichzelf in
negatieve termen beschrijft maar ook zichzelf voorschrijft een
klootzak te zijn om iets te zijn of te bereiken. In hoeverre het conflict
tussen P en K op zichzelf bestaat, los van de bijzondere geestesgesteldheid van
P, is moeilijk te zeggen, vooral omdat K geen personage is maar meerdere rollen
speelt.
Discussie
Onbeantwoord blijft de vraag welke functie P in het verhaal heeft, een
vraag die ik niet kan afdoen met de bewering dat hij zelfs geen antiheld is. In
zijn functie als speurneus P is niet heldhaftig, hij lost niets op omdat er
geen aanwijsbare dader is in oorlogen en ongelukken. Is het nu wel zo dat P een
dood lichaam schept waarvan hij als enige de dader kent, zodat hij dus de
klootzak is die de waarheid bezit? Is dit niet de interpretatie van K waarmee
ze het verhaal naar haar hand zet en P uit zijn functie van tragische en
masochistische strijder tegen het noodlot jaagt? Hadden wij, ingeval die niet
verijdeld was, van P's eenzame ondergang kunnen genieten? Van
welke aard is dan ons (on)bewuste medeleven met de melancholicus?
'Eigen schuld' tegenover de (opvoedingsgerichte) beschermingsgedachte
weerspiegelt de universele botsing tussen individu en samenleving. De kern van
Freuds verhandeling Het onbehagen in de cultuur is dat de individu moet
leren het aanhoudende conflict tussen de directe eigen belangen en de
noodzakelijke eisen die het samenleven met anderen stelt op te lossen door
sublimeren, dus door maatschappelijk geaccepteerde en realistische, haalbare
uitwegen voor de driften te vinden. Op straffe van uitsluiting of opsluiting
socialiseert de individu, een permanent leerproces. Wat hadden wij, ingeval die
niet verijdeld was, van P's eenzame ondergang kunnen leren? Kunnen we
leren van melancholie?
Literatuur
Brooks, Peter (1984). Reading for the plot. Design and intention in
narrative. Oxford: Clarendon Press. pp 3-61.
Freud, Sigmund (1906). Fragment van de analyse van een geval van
hysterie "Dora". In Sigmund Freud Nederlandse editie, ZG 2.
Amsterdam: Boom, 1997. (Oorspronkelijk: Bruchstück einer
Hysterie-Analyse)
Freud, Sigmund (1907-08). De schrijver en het fantaseren. In Sigmund
Freud Nederlandse editie, C&R 2. Amsterdam: Boom, 1983.
(Oorspronkelijk: Der Dichter und das Phantasieren)
Freud, Sigmund (1917). Rouw en melancholie. In Sigmund Freud
Nederlandse editie, PT 1. Amsterdam: Boom, 1985.
Freud, Sigmund (1923). Het Ik en het Es. In Sigmund Freud Nederlandse
editie, PT 3. Amsterdam: Boom, 1988.
Freud, Sigmund (1930). Het onbehagen in de cultuur. In Tinke Davids
(Vert.), De draagbare Freud. Amsterdam: Ooievaar, 1999.
Gogh, Theo van (2003). Interview. Film; scenario van Theodor
Holman.
Hillenaar, Henk (1996). Lacan en de literatuur. In Natalie Kok &
Kees Nuijten (Red.), In dialoog met Lacan: psychoanalytische, filosofische
en literatuurtheoretische beschouwingen. Amsterdam: Boom.
Holman, Theodor (2003). Interview. Amsterdam: Mets & Schilt.
Novelle gebaseerd op het scenario van de gelijknamige film.
Mooi, Antoine (1997). Taal en verlangen. Lacans theorie van de
psychoanalyse. Amsterdam: Boom. pp 88-105.
Mooij, Antoine (2002). Psychoanalytisch gedachtegoed. Een modern
perspectief. Amsterdam: Boom. pp 109-126.
Nuijten, Kees (1999). Freud en fictie. Literaire genres vanuit
psychoanalytisch perspectief. Amsterdam: Boom.
Zizek, Slavoj (1996). Schuins beziend. Jaques Lacan
geïntroduceerd vanuit de populaire cultuur. Amsterdam: Boom. pp
182-197.
Interview door Theodor Holman
Novelle gebaseerd op het scenario van de gelijknamige film
Uitgeverij: Mets & Schilt, Amsterdam |