GERECHTSHOF TE AMSTERDAM




BESCHIKKING van 28 maart 2001 van de vijfde kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, op het beklag met rekestnummer R 97/083/12 Sv van

        Anti Diskriminatie Buro,
        gevestigd te Schiedam,
        klager.

1. Het beklag

Het klaagschrift, ingediend namens het Anti Diskriminatie Buro door G. Grubben, is op 19 maart 1997 op de griffie van het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om Theo van Gogh, wonende te Amsterdam, niet te vervolgen ter zake van discriminatie.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

In zijn verslag, ingekomen ter griffie: van het hof op 27 augustus 1998, heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag gegrond te verklaren.

3. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoernde stukken, onder meer kennis genomen van het ambtsbericht van de officier van justitie te Amsterdam van 20 oktober 1997 en van het proces-verbaal van verhoor van Van Gogh van 11 november 1999, dat het hof op 19 december 2000 heeft ontvangen. Het proces-verbaal van aangifte was ten parkette niet meer te traceren.

4 De behandeling in raadkamer

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klager in de gelegenheid gesteld zijn beklag op 27 februari 2001 toe te lichten. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. Hij heeft aanleiding gevonden het verslag te herzien en heeft het hof in overweging gegeven het beklag of te wijzen

5. De beoordeling van het beklag

Op 8 december 1995 publiceerde HP/De Tijd een artikel van Van Gogh, getiteld "Leve de Islam". In dit artikel schrijft Van Gogh onder meer: "In hoeverre moet je blijven praten met gelovigen bij wie jij als eerste in aanmerking komt om voor hun gedroomde vuurpeloton de zegeningen van Allah te ondergaan?", "Wat heeft Van Dis te schaften met gelovigen die flikkers 'onrein' vinden, net, als ongestelde vrouwen, ongelovigen of alle anderen die niet aan de normen voldeden van die geitenneuker uit Mekka" en "Maar wie 'in dialoog' wil met zijn potentiële moordenaars, mijn zegen heb je",

Klager heeft bij monde van Grubben op 9 januari 1996 aangifte gedaan van belediging. De officier van justitie heeft op 24 september 1996 besloten om Van Gogh niet te vervolgen. Klager is het hier niet mee eens. Het hof begrijpt uit het klaagschrift dat de klacht irí het bijzonder betrekking heeft op de zinsneden "die geitenneuker uit Mekka" en "potentiële moordenaars"

Beoordeeld dient te worden of Van Gogh, door zich op deze wijze uit te laten, zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van een groep mensen wegens hun ras of hun godsdienst. De door Van Gogh gedane uitlatingen zijn grof, maar zij dienen te worden gelezen in het licht van de toen gevoerde polemiek zoals daarvan uit de overige inhoud van het tijdschriftartikel blijkt. Dit brengt in het onderhavige geval mee, dat hier de grenzen van de journalistieke vrijheid en/of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet zijn overschreden. Dit resulteert in de onderstaande beslissing,

6. De beslissing

Het hof wijst het beklag af,

Deze beschikking is gegeven op28 maart 2001 door mrs. Van Hartingsveldt, Van Lingen en Koopmann, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Procesverbaal
nummer:
99023171
Inhoud